Ga door naar hoofdcontent
Artikelen50 jaar commissies Buitenlandse Aardrijkskundige Namen (BAN)

50 jaar commissies Buitenlandse Aardrijkskundige Namen (BAN)

Zaterdag 1 februari 2020Afbeelding 50 jaar commissies Buitenlandse Aardrijkskundige Namen (BAN)

Om ruimtelijke informatie te kunnen ‘plaatsen’ hebben kaartgebruikers aardrijkskundige namen nodig en moeten kartografen die namen dus aan kaarten toevoegen. Maar dan wel in de juiste spelling. Zeker in een tijd waarin die namen ook gebruikt worden om allerhande bestanden aan elkaar te knopen. Daarom hebben kartografen al meer dan 50 jaar gehamerd op de noodzaak de spelling van aardrijkskundige namen te standaardiseren, zowel waar het binnenlandse (Gorkum of Gorinchem?) als buitenlandse (Kuwait of Koeweit?) namen betreft. De redactie van GeoInfo erkent die noodzaak en biedt graag ruimte aan de spelers die zich namens hun instanties voor die standaardisatie beijveren om hun argumenten en werkwijzen voor een breder publiek duidelijk te maken. 17 oktober 1960 vraagt Jan-Erik Romein in een brief aan zijn medebestuurslid van de Kartografische Sectie van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (KNAG) Fer Ormeling (sr.) hoe ze de hulp van het KNAG-bestuur zullen inroepen om in Nederland tot een ‘permanente commissie voor de aardrijkskundige namen’ te komen. Zo’n commissie is nodig om uit de voor de kartografen zo schadelijke permanente chaos op het gebied van de schrijfwijze van aardrijkskundige namen te komen.

Geschiedenis van de commissie

Sedert de Spellingwet van 1947 (die de spellingMarchant voor iedereen verplicht stelde) had de Nederlandse delegatie in de NederlandsBelgische Woordenlijstcommissie de opdracht ook de spelling van de aardrijkskundige namen te bewerken, maar die commissie deed daar in feite niets aan. Romein stelde nu voor dat het KNAG het initiatief zou nemen weer een lijst van Nederlandse plaatsnamen uit te geven zoals ze ook eerder gedaan had (Beekman 1936), maar nu volgens de nieuwe spellingMarchant. En uiteraard zou de spelling in de nieuwe lijst dezelfde ‘wettigheid’ moeten hebben als de Woordenlijst der Nederlandse taal, het bekende ‘Groene Boekje’. Gedacht werd aan een lijst van ongeveer 50.000 plaats- en gemeentenamen. Hoewel het kartografen niets uitmaakte welke spelling als de officiële gezien moest worden, erkenden zij dat het volgen van de nieuwe spellingvoorschriften het ook voor de bevolking als geheel gemakkelijker zou maken de plaatsnamen correct te schrijven.

Na de reactie van Ormeling schrijven ze op 12 november 1960 samen een op het bovenstaande gebaseerde brief aan het KNAG-bestuur, die als volgt eindigt: ‘In het bijzonder een land als Nederland, met zijn talrijke economische en wetenschappelijke buitenlandse betrekkingen, kan zich o.i. thans niet meer veroorloven enerzijds de aardrijkskundige namen van andere landen slecht te kennen en gebrekkig te schrijven en anderzijds in gebreke te blijven ten aanzien van althans het vastleggen en publiceren van zijn eigen aardrijkskundige namen; ten behoeve van anderen en ten behoeve van zichzelf.

Nu de schrijfwijze der aardrijkskundige namen, en in het bijzonder hun standaardisering, voorwerp van blijvend internationaal overleg wordt, en zelfs de instelling te verwachten is, op initiatief van de Economische en Sociale Raad der Verenigde Naties, van een internationale commissie voor aardrijkskundige namen [de UNGEGN], zou het gelukkig zijn wanneer Nederland daarin niet achterbleef.’

Het KNAG reageert, na een vrij vruchteloos gesprek met de voorzitter van de Nederlandse delegatie in de Woordenlijstcommissie, professor Van Haeringen, door één van haar leden te mobiliseren: dr. W.H. Vermooten, die behalve geograaf ook lid is van de Tweede Kamer. Hij gaat kamervragen stellen (nr. 2044, ingezonden 8 februari 1963). De volgende zijn hier met name relevant:

  1. Kan de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen meedelen, welke vorderingen gemaakt zijn met het vervaardigen van de officiële lijst van aardrijkskundige namen van Nederland? [waar de spellingswet van 1947 om vroeg]
  2. Zijn de Ministers niet van oordeel dat, nu de schrijfwijze van de aardrijkskundige namen en in het bijzonder hun standaardisering voorwerp van blijvend internationaal overleg geworden is, het thans hoog tijd wordt (…) dat de Nederlandse schrijfwijze van de aardrijkskundige namen van andere landen op uniforme wijze officieel wordt vastgesteld?
  3. Zijn de Ministers niet van oordeel dat de vervaardiging van een lijst van buitenlandse aardrijkskundige namen het best zou kunnen geschieden door een (permanente) commissie voor de schrijfwijze van aardrijkskundige namen, gelijk zij al bestaat in [vele andere landen]?’

Minister Klompé antwoordt daarop dat blijkens mededeling van de Nederlandse delegatie in de Nederlands-Belgische Woordenlijstcommissie binnenkort een ontwerp voor de regeling van de schrijfwijze van de Nederlandse aardrijkskundige namen aan haar zal worden aangeboden.

Dat is in feite onjuist; wel vraagt ze de KNAW om advies aangaande de wenselijkheid van Nederlandse inbreng in een VN-conferentie over de standaardisering van de spelling van aardrijkskundige namen. De KNAW stelt een commissie in (waarin het KNAG Ormeling en Romein afvaardigt) en die adviseert de minister dienaangaande in positieve zin. In 1964 en 1965 trekt dr. Vermooten in de Tweede Kamer nogmaals aan de bel, omdat men geen voortgang in dit dossier kan constateren. Uiteindelijk wordt op 7 juni 1968 de Commissie Buitenlandse Aardrijkskundige Namen (CBAN) ingesteld door de minister van Onderwijs en Wetenschappen.

Figuur 1 – De Lijst van Landennamen (1981).

De CBAN

De opdracht van de CBAN luidt, volgens het ministerieel besluit van 7 juni 1968: ‘Met inachtneming van eventuele richtlijnen betreffende de internationale standaardisatie van aardrijkskundige namen, die in het kader van de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties tot stand komen, richtlijnen voor te stellen voor het gebruik en de spelling in Nederland van moderne buitenlandse aardrijkskundige namen en een inventaris op te maken van algemeen gebruikelijke Nederlandse vormen van buitenlandse aardrijkskundige namen voor een aantal internationale geografische objecten’.

De commissie komt in september 1968 voor het eerst bijeen (we vieren dus inmiddels de 51e  verjaardag). Deze is samengesteld uit drie geo-kartografen (prof. dr. M.W. Heslinga, Ormeling en Romein), twee taalkundigen (dr. B.C. Damsteegt en dr. D.P. Blok) en drie waarnemers van ministeries (drs. J.H.L. Mols (O&W), mr. F.G. Boulonois (BZ) en ing. E. Moulijn (VWPTT), onder voorzitterschap van, inmiddels professor, Ormeling sr.

Het werk van, vooral, Romein, bestond uit het verzamelen van exoniemen. Een exoniem is een topografische naam in een andere taal dan de plaatselijke, een endoniem is een topografische naam in de plaatselijke taal (Keulen is bijvoorbeeld een exoniem, Köln is een endoniem). Deze exoniemen zijn verzameld uit allerlei bronnen: wereldatlassen, encyclopedieën, woordenboeken, kranten en naamlijsten van de PTT en van Buitenlandse Zaken. Er wordt vastgelegd welke spellingen in gebruik zijn bij de verschillende officiële instanties voor de landnaam en de afleidingen (voor de taal, de inwonernaam en het betreffende bijvoeglijk naamwoord). De besluiten en overwegingen van de commissie worden vastgelegd. De uitgangspunten van de commissie behelsden aan de ene kant, mede ingegeven door de UNGEGN, het aantal exoniemen zoveel mogelijk te beperken ten behoeve van de internationale communicatie en aan de andere kant de bestaande exoniemen te koesteren, als onderdeel van de Nederlandse culturele erfenis. Er worden beredeneerde keuzes gemaakt en in 1973 is men gereed met de lijst van landnamen en hun afleidingen. Er wordt een gebruiksaanwijzing voor de lijst opgesteld, een verantwoording waarin algemene uitgangspunten worden geformuleerd, zoals over het gebruik van lidwoorden en de vorming van vrouwelijke inwoneraanduidingen. Ingeburgerde Nederlandse namen heeft men niet veranderd. Men dringt nu bij de minister aan op publicatie van de lijst. Maar de minister, inmiddels Van Kemenade, realiseert zich (een aantal jaren nadat de commissie hem dat had gesuggereerd) dat overleg met de Belgen gewenst is. De Vlaamse taalkundigen prof. dr. K. Roelandts en dr. M. Hoebeke worden geraadpleegd en die blijken het eens te zijn met de uitgangspunten en de daaruit resulterende lijst. Nadat die horde genomen is en de lijst is bijgesteld en zijn gang heeft gemaakt langs de verschillende departementen, is het inmiddels 1980 als de minister hem vrijgeeft voor publicatie. Tot ontzetting van de commissieleden wordt de in de lijst van landnamen gebezigde spelling in tegenstelling tot de oorspronkelijke afspraken nog niet wettelijk voorgeschreven maar slechts aanbevolen. De Lijst van landennamen wordt in januari 1981 gedrukt en verspreid door het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen (zie figuur 1).

Inmiddels heeft men ook standpunten geformuleerd over het eerste deel van de opdracht, het opstellen van algemene richtlijnen hoe om te gaan met buitenlandse aardrijkskundige namen: gebruikelijke Nederlandse exoniemen behoeven niet per se de nieuwe spelling te volgen; buitenlandse namen in Latijns schrift zullen integraal worden overgenomen en namen uit landen zonder Latijns schrift zullen worden getranscribeerd of getranslitereerd (bij voorkeur volgens dienaangaande resoluties van de UNGEGN).

De samenstelling van de werkgroep is rond 2010:

  • prof dr. F.J. Ormeling (Universiteit Utrecht) voorzitter;
  • prof dr. M. Devos (Universiteit Gent);
  • mevr. F. de Vos (Europese Unie);
  • Mevr. C. ’t Hoen. (ministerie van Buitenlandse Zaken, Den Haag);
  • mevr. S. Krebel (ministerie van Buitenlandse Zaken, Brussel );
  • prof. dr. W. van Langendonck (Katholieke Universiteit Leuven);
  • mevr. H. van der Mijl (Publieke Omroep);
  • mevr. K. Spillebeen (taaladviseur Vlaams Parlement);
  • drs. T. Tichelaar (Noordhoff Uitgevers);
  • M. Eelen (persbureau Belga);
  • J. Tjepkema (NOS);

In 2014 wordt ook prof. dr. A. Versloot (Universiteit van Amsterdam) in de werkgroep opgenomen. De ‘dagelijkse commissie’ bestaat dan uit: Magda Devos, Frieda De Vos en Ferjan Ormeling.

De Nederlandse Taalunie: BAN I 1988-1993

Inmiddels is op 9 september 1980 de Nederlandse Taalunie opgericht, bevoegd tot het wettelijk regelen van de spelling en de spraakkunst van de Nederlandse taal. Als commissie van een aantal Nederlandse ministeries die hun taalkundige bevoegdheden nu aan de Taalunie hebben overgedragen, komt de CBAN in een bestuurlijk vacuüm terecht en de werkzaamheden op het Meertens-instituut aan een lijst van alle Nederlandse exoniemen vallen allengs stil. Wanneer er in 1988 een Taaluniewerkgroep Buitenlandse Aardrijkskundige Namen in het leven wordt geroepen, bestaat de CBAN officieel nog steeds, maar de overgang naar het nieuwe bestel wordt vereenvoudigd doordat de CBAN-secretaris, inmiddels professor, dr. D.P. Blok de nieuwe werkgroep gaat voorzitten. De commissie is samengesteld uit taalkundigen (prof. dr. Blok, dr. R. Rentenaar, prof. dr. K. Roelandts), vertegenwoordigers van persbureaus (J.P. van Groesen, B. van de Voorde), van ministeries van Buitenlandse Zaken (mr. J.J. Jonker Roelants en F. Hintjens), van de Europese Commissie (H. Ladage) en een kartograaf (prof. dr. F.J. Ormeling (jr., zoon van zijn hierboven genoemde naamgenoot)).

Men gaat aan het werk met de volgende taakstelling:

  • Het vervaardigen van een lijst van landnamen, afgeleide adjectieven daarvan, inwonernamen en hoofdsteden van desbetreffende landen. Dit met als uitgangspunt de Lijst van landennamen van de CBAN.
  • Onderzoek naar de relatieve wenselijkheid en mogelijkheid van een uitgebreidere lijst van buitenlandse namen dan de onder taak a) bedoelde lijst, óf een aanvulling op de onder taak a) bedoelde lijst.

Bij het uitoefenen van haar taak diende de werkgroep zich zowel te houden aan de vigerende spellingswetten als een evenwicht na te streven tussen de wens tot behoud van het Nederlands taaleigen enerzijds en de internationale tendens tot vermindering van het gebruik van exoniemen anderzijds. Ook transcriptieprocedures zullen besproken worden.

De werkgroep BAN krijgt een vliegende start aangezien al het door de CBAN verzamelde documentatiemateriaal (inclusief de exoniemenlijst) aan haar wordt overgedragen. Er worden randvoorwaarden gesteld waar ieder zich in kan vinden (‘Er zal zoveel mogelijk uitgegaan worden van de lokale naam (donorprincipe), maar de aanvaardbaarheid en vertrouwdheid van een bepaalde variant mogen niet over het hoofd worden gezien.’ En: ‘In de voorstellen van de werkgroep mogen de diakritische tekens niet weggelaten worden omdat door de toenemende technologische ontwikkelingen het gebruik van deze tekens niet veel problemen meer kan opleveren.’). In juli 1989 wordt de nieuwe lijst van landnamen door de BAN bij de Taalunie ingediend, in januari 1990 volgt de BAN-nota hoe met de overige buitenlandse namen om te gaan. In oktober 1989 wordt de nieuwe lijst door de Taalunie ter visie gelegd bij het Samenwerkingsverband Nederlandstalige Terminologie (SaNT), het Comité van Ministers van de Taalunie en de Commissie Taal van de Raad van Nederlandse Taal en Letteren. Veel kritiek komt er uit de taalkundige hoek op de toepassing van het donorprincipe en het gebruik van diakritische tekens die niet horen in de Nederlandse taal. Men bleek zich onvoldoende in de uitgangspunten van het werk te hebben verdiept, men vergelijkt appels met peren wanneer men endoniemen met exoniemen vergelijkt, waardoor de variatie in het gebruik van oe/u en c/k onlogisch lijkt. Bovendien blijkt men zich niet in de systematiek te hebben verdiept. Ondanks het feit dat de lijst op een aantal aspecten wordt bijgesteld wordt ze door de Taalunie en de Raad van Ministers afgewezen. Het belangrijkste struikelpunt is het uitgangspunt dat het endoniem integraal wordt overgenomen tenzij er een gebruikelijk Nederlands exoniem bestaat. Men wenst dat om te keren: uitgangspunt moet het Nederlandse exoniem zijn en als dat niet bestaat het lokale endoniem nemen.

Blok en Ormeling jr. zijn van mening dat de Taalunie daarmee de oorspronkelijke opdracht wijzigt, zij kunnen niet meegaan met de nieuw geformuleerde uitgangspunten – mede gezien de standpunten die ze in de UNGEGN uitdragen met betrekking tot het verminderen van de exoniemen ten behoeve van de internationale communicatie. Om de kartografen die belang hebben bij het kennen van de nieuwe standaardspelling niet langer te laten wachten, publiceert Ormeling de oorspronkelijke lijst zoals door de werkgroep samengesteld in het Kartografisch Tijdschrift (1992-3). Rentenaar neemt dan het voorzitterschap over en in 1993 wordt de gewijzigde Lijst van landnamen uitgebracht conform de wens van de Raad van Ministers (als nr. 41 in de reeks Voorzetten van de Nederlandse Taalunie, zie figuur 2). Afgezien van een aantal controversiële naamsveranderingen zijn de resultaten in hoge mate vergelijkbaar met die van de CBAN, het belangrijkste verschil is dat in de nieuwe lijst ook de hoofdsteden zijn opgenomen. De BAN heeft daarmee haar taak volbracht. Ondanks de aanpassing aan de wensen van de Raad van Ministers wordt het gebruik van de spelling in deze lijst door haar niet verplicht gesteld, maar slechts aanbevolen.

Figuur 2 – De Lijst van Landnamen (1993)

BAN II 1993-1996

Om aan het tweede deel van de taak van de BAN uitvoering te geven, wordt vervolgens een werkgroep samengesteld die de meer uitgebreide inventarisatie van alle Nederlandse exoniemen zal uitvoeren: ‘De werkgroep heeft als taak een lijst samen te stellen van namen van belangrijke steden, anders dan hoofdsteden van landen, regio’s, eilanden, gebergten, zeeën, meren, rivieren en andere geografische entiteiten die niet voorkomen in de Lijst van landnamen (Voorzetten 41).’ Voorzitter blijft Rentenaar (inmiddels hoogleraar), Ormeling (jr.) wordt toch weer bij het werk betrokken (de BAN II moet zich gezien de opdracht conformeren aan de uitgangspunten van BAN I, en dat maakt het hem mogelijk zich weer te engageren) en verder zijn bij het werk betrokken K. Boumann (Europese Gemeenschappen), P. Cockx (ministerie van de Vlaamse Gemeenschap), prof. dr. M. Devos (Universiteit Gent), J.P. van Groesen (ANP), prof. dr. W. van Langendonck (K.U. Leuven), M. Eelen (Belga), dr. G. Verhoeven (Taalunie), en drs. G.P. Visser (ministerie van Buitenlandse Zaken). Mevrouw Jacqueline Balteau van de Taalunie zorgt voor de secretariële ondersteuning.

In de richtlijnen staat dat men terughoudend zal zijn met het gebruik van exoniemen en alleen nu nog gebruikelijke exoniemen zal opnemen; de overige rekent men tot de historische namen. Er wordt verwacht dat men binnen een jaar de lijst gereed zal hebben, maar dat lukt niet. Het wordt 1995 voordat men gereed is en in 1996 verschijnt Buitenlandse aardrijkskundige namen in het Nederlands (als nr.50 in de reeks Voorzetten, zie figuur 3). Behalve de reeds in de vorige uitgave gemelde gegevens staan hier ook de overige, als gebruikelijk onderkende, Nederlandse exoniemen in, samen met hun endoniem. Ze zijn geordend per werelddeel en per land, er is een verklarende woordenlijst toegevoegd, een lijst met vertalingen van buitenlandse ‘generics’ (zoals lake, baie, proliv, teluk, arcipelago) en een index van alle namen, zowel endoniemen als exoniemen. Een lijst van wijzigingen in de landnamen sedert de vorige uitgave staat aan het begin. Ook de Nederlandse benamingen van plaatsen in Frans-Vlaanderen en Wallonië worden toegevoegd (dankzij de hoogleraren Devos en Van Langendonck) in aparte lijsten. Daarmee heeft de werkgroep BAN II aan haar opdracht voldaan. Deze (uitgebreide) lijst krijgt dezelfde wettelijke status als haar voorganger.

BAN-III 1997-2018

De leden van de werkgroep BAN II krijgen een half jaar na de afsluiting van de werkzaamheden een brief van Greetje van den Berg, de algemeen secretaris van de Nederlandse Taalunie, waarin ze stelt dat ze het noodzakelijk acht dat er een permanente adviesstructuur komt inzake buitenlandse aardrijkskundige namen, en vraagt of men in dat kader de werkzaamheden wil voortzetten. Er is dus kennelijk behoefte aan onderhoud van de lijst. De taakstelling houdt in het verzamelen en melden van wijzigingen op het gebied van de namen van geografische entiteiten in het buitenland ten opzichte van de in de Voorzetten nr. 50 opgenomen namen, het signaleren van ontwikkelingen in het buitenland op het gebied van de spelling van aardrijkskundige namen die invloed kunnen hebben op de BAN-lijst en het geven van advies op het gebied van de schrijfwijze van buitenlandse aardrijkskundige namen.

Een nieuw punt wordt het creëren van een elektronische lijst van exoniemen, waar een website van de Taalunie toegang toe zou bieden. Ormeling doet daartoe een voorstel. In 1999 gaat Rentenaar met vervroegd pensioen en vraagt de Taalunie Ormeling het voorzitterschap van BAN III over te nemen. Nog in bijzijn van Rentenaar wordt de laatste hand gelegd aan de herziene Buitenlandse aardrijkskundige namen in het Nederlands, waarvan de uitgave voorjaar 2000 is voorzien. Er zal ook een wereldkaart met de exoniemen in worden opgenomen. Dan blijkt dat de Taalunie haar koers gewijzigd heeft en nog zomer 2000 een digitaal Taalunieversum wil presenteren, waarvan eventuele afgeleide papieren uitgaven door commerciële partijen kunnen worden uitgegeven. De BAN III-lijst zou onderdeel worden van het Taalunieversum, liefst met een uitspraakmodule van de aardrijkskundige namen. De werkgroep BAN III blijft pleiten voor een papieren versie, maar volgens de algemeen secretaris van de Taalunie zijn daarvoor geen commerciële gegadigden te vinden, vermits de lijst nu ook op de Taaluniewebsite opgenomen wordt.

Figuur 3 – Buitenlandse aardrijkskundige namen in het Nederlands (1996)

Het creëren van de website met de BAN-lijst heeft veel voeten in de aarde: eerst om de benodigde diakritische tekens te kunnen genereren, dan om de gewenste functionaliteit te kunnen bieden en al helemaal om de uitspraakmodule te realiseren. De werkgroepleden spreken de namen in onder leiding van prof. Devos. De uitspraakmodule is een korte tijd in de lucht, maar wanneer er een aantal fouten wordt geconstateerd die een verbetering c.q. update behoeven, blijkt dit onmogelijk en wordt de module losgekoppeld. Pas in 2013 komt, na veel aandringen en een zoektocht naar de in 2003 ingesproken bandjes met de uitspraak, deze weer op de agenda. Na veel beginproblemen is er rond 2005 sprake van een goed draaiende website Buitenlandse aardrijkskundige namen, als onderdeel van het Taalunieversum direct op de homepage daarvan terug te vinden. Wijzigingen in de lijst van exoniemen worden snel doorgevoerd en op de website zichtbaar gemaakt. Wanneer echter rond 2010 de Taalunie-website gerestyled gaat worden en de BAN-lijst op de Taaladvieshomepage geplaatst dient te worden, verloopt één en ander niet bepaald vlot. Lange tijd wordt geklaagd over moeilijke bereikbaarheid, en het pas met jaren vertraging doorvoeren van de opgegeven wijzigingen om de site up–to-date te houden. In 2017 zijn de meeste werkgroepklachten verholpen, en functioneert de website naar behoren.

Intussen wordt er, offline, veel werk verzet. In de eerste plaats komt er een rubriek ‘Historische namen’, zodat de lijst ook voor historici relevant wordt. In de behoefte van een wereldkaart waar men op kan klikken om toegang tot de exoniemen van een bepaald land te krijgen wordt door een extern bedrijf voorzien, maar dat zorgt voor een kaart met veel fouten, die blijkbaar niet te updaten is. Er worden namen in Fryslân toegevoegd, waarbij op de website te zien is wat de Friese dan wel Nederlandse namen zijn en welke van beide officieel zijn (vooral dankzij de hulp van prof. dr. Versloot). De toponymische richtlijnen voor Nederland worden opgenomen, waarin het buitenlanders duidelijk wordt gemaakt hoe ze met Nederlandse plaatsnamen om moeten gaan. Het gebruik van lidwoorden wordt in een toelichting duidelijk gemaakt, evenals de bij de hoofdsteden vermelde bijvoeglijke naamwoorden c.q. mannelijke en vrouwelijke inwoneraanduidingen. De gebruikers van de site worden over verbogen en onverbogen vormen geïnformeerd. De bronnen van de door de VN aangenomen omzettingssystemen van het ene naar het andere schrift worden aangegeven, en er wordt aangegeven uit welke talen de opgenomen endoniemen afkomstig zijn. Er wordt veel werk verzet om schijnbaar inconsequente keuzes te verklaren, en met een schema (zie figuur 4) wordt de gang van zaken bij de gedane keuzes inzichtelijk gemaakt.

De Taalunie gaat mee met nieuwe ontwikkelingen, eerst met spraaktechnologie, waarmee nieuwe algemeen secretarissen hopen te scoren en waar commerciële bedrijven gouden vergezichten voorspiegelen, en ook met wetenschappelijk onderzoek naar vertaaltechnologie. Het ontwikkelen van programma’s voor de automatische omzetting van namen uit talen met niet-Latijnse schriftsystemen naar het Nederlands wordt door de Taalunie gesteund en lijkt een wezenlijk goed. Wanneer men echter in elk taalgebied hetzelfde zou doen, namelijk alle namen (en niet alleen de exoniemen) aan de uitspraak in de eigen taal aanpassen, dan ontstaan er evenveel versies van persoons- en plaatsnamen als er taalgebieden zijn en dat leidt tot de grote chaos die men juist in internationaal verband wil proberen te vermijden (Chroesjtsjov/Chruschtchow, Khrushchev, Khrouchtchev, Jrushchov, of Jerevan, Jerewan, Yerevan, Erevan). Het is in strijd is met de principes van de VN, die naar ‘univocity’ streeft, namelijk dat van elke plaatsnaam in elk alfabet maar één naamversie de officiële is. Het voornemen van de algemeen secretaris om een nieuwe commissie binnen de Taalunie in het leven te roepen (de Commissie Anderstalige Namen of CAN) die zowel voor buitenlandse plaats- als persoonsnamen verantwoordelijk zal zijn en volgens de nieuwe principes zal gaan werken, brengt Ormeling ertoe zich terug te trekken als voorzitter. In de taakomschrijving van de CAN, zoals die in samenspraak met zijn opvolger, prof. dr. A. Versloot, tot stand is gekomen, is echter sprake van twee aparte secties binnen de CAN, één voor plaatsnamen – een directe voortzetting van de BAN – en één voor persoonsnamen, die in goede harmonie samenwerken. Daarmee gaat eind 2017 een nieuwe periode in.

Figuur 4 – Schema dat de gang van zaken bij de door de BAN gemaakte keuzes verklaart (bron: Ferjan Ormeling).

En de plaatsnamen binnen Nederland?

Hoewel de Spellingwet van 1947 daarom vraagt, gaat de Nederlandse delegatie in de NederlandsBelgische Woordenlijstcommissie zich pas begin jaren ’60 aan de plaatsnamen wijden, nadat de in het voorspel genoemde lieden haar middels kamervragen tot activiteit in deze hadden aangespoord (haar andere taken waren middels het ‘Groene Boekje’ al in 1954 voltooid). Deze Nederlandse delegatie ofwel de commissieVan Haeringen (1962-1970) c.q. de commissieDamsteegt is in de periode 1962-74 ruim zestig keer bijeen geweest! Een aantal uit de CBAN bekende spelers zien we hier terug: dr. D.P. Blok, en drs. J.E. Romein (als adviseur en documentalist 1960-1973, vervolgens als lid).

Figuur 5 – Website Buitenlandse Aardrijkskundige Namen

De resultaten van het werk van de commissie zijn neergelegd in een in 1974 aan de minister van onderwijs uitgebracht rapport met een inleiding waarin de uitgangspunten voor de aanpassing van de plaatsnamen aan de nieuwe spelling zijn verantwoord en een lijst van 40 000 namen van aardrijkskundige objecten in Nederland gespeld conform de nieuwe spelling.

Figuur 6 – Klikkaart-optie van de BAN-website om snel een land te vinden.

De commissie signaleert het volgende: ‘Door de overgang van de spelling-De Vries en Te Winkel naar de spelling-Marchant treden een aantal zonderlinge spellingsverschillen in de Nederlandse toponiemen op die slechts aanvaardbaar waren in het kader van de overgangstoestand die de spellingwet van 1947 ten aanzien van de aardrijkskundige namen binnen Nederland had geschapen. Uit een praktisch oogpunt dienden deze verschillen opgeheven te worden en moest ook een eind gemaakt worden aan de onzekerheden en fouten die voortvloeiden uit de archaïsche spellingen. Daarbij komt de principiële wenselijkheid om de Nederlandse aardrijkskundige namen te spellen volgens de regels die ook voor andere Nederlandse woorden gelden. Het is dan ook geenszins overdreven te zeggen, dat de thans ingevoerde regeling, die voortvloeit uit artikel 6 van de Spellingwet 1947 en aan de overgangstoestand een einde maakt, reeds te lang op zich heeft laten wachten.’ De minister bleek echter bevreesd voor de reacties uit de regionale pers op de in het rapport gedane voorstellen om de spelling van de plaatsnamen aan de nieuwe wettelijke spelling aan te passen en liet het rapport in zijn la liggen. Dat is nu bijna 50 jaar geleden.

Meer informatie