Ga door naar hoofdcontent
ArtikelenDe werkwijze van de Commissie Anderstalige Namen: aardrijkskundige plaats- en persoonsnamen

De werkwijze van de Commissie Anderstalige Namen: aardrijkskundige plaats- en persoonsnamen

Zaterdag 1 februari 2020Afbeelding De werkwijze van de Commissie Anderstalige Namen: aardrijkskundige plaats- en persoonsnamen

De Commissie Anderstalige Namen (CAN) heeft als opdracht om de Taalunie te adviseren over de spelling van buitenlandse aardrijkskundige plaats- en persoonsnamen. In dit artikel wordt een beeld geschetst van wat daar bij komt kijken.

In de 20e  eeuw was de wereld minder geglobaliseerd dan in de 21e  eeuw. Veel mensen hadden in beperktere mate dan nu te maken met plaatsen en mensen uit het buitenland. Dat gold zeker voor personen en bestemmingen van buiten Europa, met de koloniale contacten als de belangrijkste uitzondering. Mensen maakten minder gebruik van buitenlandse namen en waren er ook minder bekend mee. Bovendien bestonden er voor veel aardrijkskundige namen voor plaatsen dicht om ons heen traditionele Nederlandstalige versies (met een technische term exoniemen): Parijs, Kleef, Aken, Rijsel, Dusseldorp en Frankfort voor Paris, Kleve, Aachen, Lille, Düsseldorf en Frankfurt.

Wat dat laatste betreft, lijkt de behoefte aan Nederlandse versies tegenwoordig kleiner. Doordat men veel meer dan vroeger reist, is voor veel mensen een naam als ‘Firenze’ onderhand net zo vertrouwd als ‘Florence’ (dat uiteindelijk ook weer via het Frans geleend is) en bovendien voor de lokale navigatie nuttiger. Ormeling wijst in zijn bijdrage op het praktische belang van één internationaal gebruikte spelling (in Latijnse letters) voor één object. De behoefte om lokaal gebezigde naamversies in Latijns schrift nog om te buigen naar het Nederlands zal bij veel gebruikers laag zijn. In de grensgebieden zijn in Nederland de exonieme versies voor Köln, Aachen en Liège de afgelopen decennia door internationale afspraken over namengebruik van de verkeersborden verdwenen. Hoelang blijven Keulen, Aken en Luik nog in gebruik? De historisch gegroeide exoniemen zijn dus een krimpend repertoire van historisch gegroeid cultureel erfgoed. De groep voor aardrijkskundige namen binnen de CAN voegt geregeld bij exoniemen op de BAN-lijst de zinsnede ‘lokale naam in toenemend gebruik’ toe.

Die vertrouwdheid met het niet-Nederlandse perspectief strekt zich niet alleen uit tot de plaatsen en hun namen, we gaan ook veel vaker om met andere spellingssystemen. Met name de rol van het Engels in het internationale verkeer is de laatste decennia nog sterk gegroeid en woorden die volgens de spellingsprincipes van het Engels geschreven zijn, worden steeds minder als vreemd ervaren door de gebruiker van namen. Slechts weinig Nederlanders zullen tegenwoordig nog de neiging hebben om bijvoorbeeld een schrijfwijze als ‘Sudan’ uit te spreken met de ‘uu’ van ‘vuur’. Veel voor ons nieuwe namen bereiken ons via Engelstalige media.

Persoonsnamen

Naast de aardrijkskundige namen zijn er de persoonsnamen. Er zijn veel verschillende individuen met dezelfde naam of met een variant daarvan. Waar het gebruik van ‘Aken’ voor ‘Aachen’ in het Nederlands geaccepteerd is, is het veel minder gebruikelijk om iemand die ‘Katarzyna’ heet zomaar ‘Katrijn’ of ‘Catharina’ te noemen. Voor de één betekent een spelling ‘Eric’ in plaats van ‘Erik’ een ernstige aantasting van de persoonlijke identiteit, een ander, die als ‘Ria’ door het leven gaat, zal er misschien geen moeite mee hebben om zich in een Engelstalig gezelschap als ‘Mary’ voor te stellen. Voor namen van historische personen zijn er wel vaak gangbare Nederlandse versies, zoals ‘Lodewijk XIV’ (niet ‘Louis’), ‘Karel de Grote’ (internationaal bekender als ‘Charlemagne’). Deze versies zijn vergelijkbaar met de exoniemen van de topografische namen.

Het wel of niet aanpassen van namen van buitenlandse personen, zeker als hun naam oorspronkelijk ook nog eens geschreven wordt in een niet-Latijns schrift, heeft dus nog een hele extra dynamiek en het belang van één internationaal gebruikte spelling (in Latijnse letters) voor één ‘object’ (in dit geval ‘naam’) is veel lager, omdat er een veel groter individueel aspect is.

Het contrast is overigens niet absoluut: er is een ‘Kaldenkirchen’, ‘Kaltenkirchen’, ‘Koudekerke’, ‘Koudekerk (a/d Rijn)’, ‘Coudekerque’, net zo goed als er een ‘Erik’, ‘Erich’, ‘Eiríkur’, enzovoort bestaan. Alleen is het aantal manifestaties per plaatsnaamtype (‘tokens per type’) veel kleiner dan bij persoonsnamen.

Ook als een naam wel in Latijns schrift gespeld wordt, blijft er een spanning met het gebruik in de Nederlandse context bestaan: wat te doen met in het Nederlands ongebruikelijke diakritische tekens en wat te doen met de uitspraak?

Een klassiek voorbeeld is de naam van de voormalige Poolse vakbondsleider en president, Lech Wałęsa, wiens naam een ‘ł’ en een ‘ę’ bevat, beide in het Nederlands onbekend. Zowel het laten staan als het weglaten van de tekens (‘Walesa’) leidt bij de meeste Nederlandstaligen onherroepelijk tot een verkeerde uitspraak. In het Pools klinkt de naam in quasifonetisch schrift ongeveer als ‘Wa-oe-èn sa’, in taalkundig fonetisch schrift, IPA, [va’wε˜sa].

Waar spellingsverschillen van voornamen als uiting van individualiteit gezien kunnen worden, is het omgekeerde het geval bij achternamen. Het is bestuurlijk en administratief onwenselijk als achternamen van mensen afkomstig uit een land met een niet-Latijns alfabet voor verschillende leden van één familie verschillend gespeld worden. Als een naam op verschillende families betrekking heeft, is dat probleem er in veel mindere mate. We doen het in het Nederlands immers ook met ‘Jansen’, ‘Janssen’, ‘Janse’, ‘Jansse’ …

Verder is er een fundamenteel verschil tussen het gebruik van een ‘Nederlandse’ versie voor buitenlandse aardrijkskundige namen en namen van mensen van buitenlandse afkomst. Een plaats blijft liggen waar hij ligt: een exoniem heeft per definitie betrekking op iets buiten het Nederlandse taalgebied en dus moet de afweging gemaakt worden wat voorgaat: het ‘Nederlandse’ belang of internationale uniformiteit, uitgaande van de lokale versie. Een persoon die in Nederland of Vlaanderen geregistreerd wordt, doet dat meestal omdat hij of zij zich blijvend wil vestigen in een gebied waar Nederlands de officiële taal is. Zo iemand kan er dus belang bij hebben dat een omspelling naar het Latijnse alfabet zodanig geschiedt dat de naam ook min of meer correct wordt uitgesproken door Nederlandstaligen die met het woordbeeld geconfronteerd worden.

Nog weer anders ligt het voor personen die helemaal niet per se naar Nederland of Vlaanderen komen, maar bijvoorbeeld in het nieuws zijn. Wat staat daar voorop: een (redelijk) nauwkeurige uitspraak of een internationaal uniforme transcriptie? Dat laatste geldt in zekere zin ook voor plaatsnamen die vanwege bepaalde actuele gebeurtenissen voor enige tijd in het nieuws zijn om daarna meestal weer snel te worden vergeten.

Strategieën voor de spelling van buitenlandse namen

Hoewel de problemen waar de Nederlandstalige gebruiker van buitenlandse namen zich voor gesteld ziet in de grond dezelfde zijn, kunnen de voorkeuren voor de ene of de andere oplossing sterk verschillen per categorie van namen. Voor het toegankelijk maken van buitenlandse namen zijn grofweg drie scenario’s voorhanden:

  1. Internationale transcriptiesystemen, zoals voor aardrijkskundige namen gepropageerd door UNGEGN (VN) met één internationaal gebruikte spelling per plaats in Latijns schrift.
  2. Transcriptiesystemen die dichter bij de Nederlandse spelling blijven.
  3. Het gebruik van (historisch gegroeide) exoniemen.

We hebben dus grofweg de volgende opties voor aardrijkskundige namen (dit schema wijkt niet principieel af van het schema in de bijdrage van Ormeling):



Figuur 1 – Schema dat de gang van zaken bij de door de BAN gemaakte keuzes verklaart (bron: Arjen Versloot)

Het is niet eenvoudig om vast te stellen wat ‘gangbaar’ is. Het internet vormt daarvoor tegenwoordig een belangrijke bron. Voor persoonsnamen ligt één en ander iets gecompliceerder. Daar geldt het namelijk als geaccepteerder om idiosyncratische vormen te aanvaarden, omdat die geacht worden onderdeel te zijn van het individu. ‘Piotr’ wordt dus niet zomaar ‘Peter’ en ook ‘Pjotter’ zal niet gauw geschreven worden.

Het is in toenemende mate gebruikelijk dat uit talen met het Latijnse alfabet de lokale plaatsnaam onveranderd overgenomen wordt. Er is al gewezen op de moeilijkheden van sommige ongebruikelijke lettertekens in andere talen met Latijns schrift. Verder is er dan de keuze van een transliteratiesysteem voor talen met niet-Latijnse alfabetten. In veel gevallen bestaan er systemen die door het land in kwestie vastgesteld of aangeraden worden. De Bosatlas gebruikt dit systeem maar met vereenvoudigingen ten behoeve van de leesbaarheid. Bij een taal als Arabisch lopen we ertegenaan dat er weliswaar één taal is, maar met verschillende uitspraken en zonder dat alle landen waar het Arabisch schrift in gebruik is om Arabisch te schrijven (we laten dan bijvoorbeeld Perzisch nog buiten beschouwing) één transcriptiesysteem gebruiken. De systemen die er bestaan, zijn op het Engels of Frans gebaseerd, niet op het Nederlands. Het feit dat verschillende transliteratiesystemen gebaseerd zijn op het Engels of Frans leidt soms tot een ongebruikelijk en soms ambigu woordbeeld. Het bekendste voorbeeld is de lettercombinatie ‘ch’ die voor een ‘ch’ (Nederlands, Duits), ‘tsj’ (Engels) of ‘sj’ (Frans) kan staan – al naar gelang de taal en het land. Een ander heet hangijzer is de ‘oeklank’: schrijf je die als ‘u’ (Engels, Duits), ‘ou’ (Frans) of ‘oe’ (Nederlands)?

Figuur 2 – Namen Namen in plaatselijk schrift en door UNGEGN aanbevolen transliteratie, 2016 (bron: Menno Bolder).

Twee belangen strijden daarbij om de voorrang:

  1. Eenduidige schriftelijke referentie, bijvoorbeeld voor officiële akten of voor geautomatiseerde opslag, waarbij alle informatie over een plaats of persoon liefst onder één spelling te vinden is.
  2. Het belang van de gebruiker van het Nederlands, voor wie een geschreven naam bij voorkeur een sleutel is tot een uitspraak die op zijn minst in de buurt komt van de oorspronkelijke uitspraak.

Ten behoeve van de eigennamen bestaat er een initiatief om te komen tot een transliteratiesysteem voor verschillende alfabetten dat omzet naar een schrijfwijze die voor Nederlandstaligen tot een uitspreekbare spelling leidt en dat via het internet raadpleegbaar is. De ‘Transcriptor’ [1] van Nicoline van der Sijs en anderen is in staat om verschillende schrijfwijzen te suggereren aan gebruikers: één die aan bovengenoemd punt (1) voldoet, zoals bijvoorbeeld de spelling ‘Sudan’, die ‘internationaal’ is, of juist aan punt (2), wat een spelling ‘Soedan’ zou suggereren. Deze vraag is met name actueel voor zogenaamde ‘nieuwe’ exoniemen, dat wil zeggen: namen zonder een traditie in het Nederlandse taalgebied, die bijvoorbeeld door actuele internationale ontwikkelingen in het nieuws komen en vragen om een voor Nederlandstaligen geëigende spelling. Er zouden dus voor een aantal namen (voor veel namen zal het ook niet uitmaken) twee versies beschikbaar kunnen komen, elk met hun eigen status en doelgroep. Het is aan de CAN om in deze wirwar van mogelijkheden en belangen gedegen adviezen voor de Nederlandse taalgebruiker te formuleren.

*Voor deze bijdrage zijn verschillende passages vaak letterlijk overgenomen uit een Taalunienotitie over de toekomst van de Taaluniewerkgroep BAN, van september 2017, geschreven door de toenmalige secretaris Rob Visser.

Referenties