Ga door naar hoofdcontent
Artikelen‘Op de meeste werkplekken wordt weinig gesproken over seksualiteit’

‘Op de meeste werkplekken wordt weinig gesproken over seksualiteit’

Maandag 15 april 2019Afbeelding ‘Op de meeste werkplekken wordt weinig gesproken over seksualiteit’

Geograaf Emiel Maliepaard heeft zich gedurende zijn carrière steeds verder weten te specialiseren in (bi)seksualiteit en gender. Hij heeft talloze onderzoeken op dit vlak gedaan en werkt nu bij Atria, het kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis. Hier doet hij onder andere onderzoek naar geweld tegen vrouwen en LHBTI-personen. In dit interview vertelt hij hoe geografie te linken is aan seksualiteit en gender, over zijn carrièrekeuzes en deelt hij ook zijn tips met geografen die een soortgelijk pad willen bewandelen.

Deel I: Van ontwikkelingsgeografie naar stadsgeografie

Je hebt sociale geografie gestudeerd in Utrecht. Waarom koos je voor deze studie?
Ik was erg geïnteresseerd in ontwikkelingssamenwerking en ontwikkelingslanden en dan kom je al gauw uit bij sociale geografie of culturele antropologie. Mijn voorkeur ging uit naar het eerste, ik wilde een goede balans tussen theorie en praktijk.

Waar specialiseerde je je gedurende de studie in?
Ik ben begonnen in de ontwikkelingsgeografie en later ben ik meer de politieke geografie ingegaan. En uiteindelijk ben ik eigenlijk geëindigd met stadsgeografie. Ik heb zo ongeveer alle trajecten die er binnen de Utrechtse opleiding worden aangeboden kunnen doorlopen. Dat was ook wel erg goed voor mij, dat ik kon verkennen wat ik het leukste vond. Op basis daarvan kon ik een goede keuze maken voor erna.

Emiel bij zijn promotie vorig jaar. Fotograaf: Erwin Heyl.

Deel II: (Bi)seksualiteit en gender

Na de bachelor koos je voor een onderzoeksmaster en specialiseerde je je in de geografie van (bi)seksualiteit en gender. Waarom deze master en waarom specifiek dit bijzondere specialisme?
Die interesse begon in mijn bachelor. Ik was aan het kijken waar ik iets kon bijdragen aan de academische cultuur en toen kwam ik al snel uit bij LHBT-studies en toen dacht ik: binnen dat vakgebied hebben we in Nederland (nog) geen (bekende) geografen. Ik heb mijn bachelorscriptie destijds geschreven over homoseksuele mannen en vrouwen in Amsterdam en in hoeverre zij hun levens konden leiden onder de impact van heteronormativiteit. Dus dat was al een eerste aanzet voor dit specialisme. En toen ben ik tijdens mijn master verhuisd naar Engeland om daar veldwerk te gaan doen voor een studie naar de belichaamde ervaringen van homomannen binnen het niet-homo nachtleven van Brighton. Ik ben toen met die homomannen naar clubs gegaan die niet als gay bar of club te boek staan en de interacties met anderen gaan bestuderen. En gaandeweg kwam ik erachter dat er gewoon geen aandacht is geweest binnen het vakgebied voor mensen die op meerdere genders kunnen vallen. Toen heb ik besloten dat ik in dat specialisme mijn echte bijdrage kan leveren.

Hoe raakt sociale geografie seksualiteit? Los van elkaar zijn het interessante onderwerpen, maar hoe koppel je die twee?
Ik kan wel wat vertellen over het ontstaan van het vakgebied. Het begon als het ware in de jaren tachtig en negentig, door te kijken waarom er bepaalde wijken waren – en dan met name in de Verenigde Staten, Engeland en Australië – waar relatief veel homomannen woonden. Zo’n wijk had je bijvoorbeeld in San Francisco: het Castro District. Daar begon het mee. En dan werd er een link gelegd met de ruimte. En in de openbare ruimte zie je daarnaast allerlei uitingen van heteroseksualiteit, van gender, maar ook non-verbale en minder zichtbare uitingen van seksualiteit – waardoor je je nog steeds een beetje door de heteroseksuele wereld moet manoeuvreren als niet-heteroseksueel persoon. Dus dat was eigenlijk een beetje het begin van het vakgebied. Tegenwoordig kijken we meer naar een heel scala aan onderwerpen, naar migratie, naar place-making, naar hoe ‘zichzelf’ iemand kan zijn, maar ook naar nightlife en sekswerk bijvoorbeeld. En daarbij natuurlijk altijd de link met ruimte. In Amsterdam zie je bijvoorbeeld dat een concentratie van sekswerk vaak op een plek is waar ook veel coffeeshops en gaybars zijn. Zo zie je een hele clustering ontstaan van ondernemingen die niet binnen geldende normen vallen.

Wat voor onderzoeken heb je op dit gebied tot nu toe gedaan?
Mijn promotieonderzoek ging over personen die niet alleen op mannen of vrouwen vallen, in hoeverre die zichzelf kunnen uiten op allerlei locaties. Toen ben ik vooral gaan kijken naar wat de impact was van de locatie op de persoon en andersom. In hoeverre je een locatie ook echt aanmerkt als een ruimte waar je jezelf kunt zijn en kunt praten over wie je echt bent: thuis, binnen je relatie, in het nachtleven, op het internet, op school, op je werkplaats. En dan vooral kijken naar de dagelijkse dingen die daar gebeuren, de dagelijkse praktijk eigenlijk, die ik zie als ‘bundles of organized activities’, waaraan allerlei normen en waarden verbonden zijn. Als je bijvoorbeeld op je werk bent, dan moet je in feite meedoen met hoe het daar gaat; je past je aan door te leren en te imiteren. Je doet de dingen die je moet doen, die van je worden verwacht. En dingen die daar buiten vallen, wijken af en worden gezien als niet acceptabel. Er wordt op de meeste werkplekken weinig gesproken over relaties en seksualiteit. Dit wordt vaak als niet professioneel gezien. Hierdoor ontstaan er ook minder mogelijkheden om te praten over je biseksuele identiteit zonder dat het “out of place” voelt. Dus uiteindelijk bleek uit het onderzoek dat de dagelijkse praktijk van een bepaalde plek een grote invloed heeft op hoe jij je gedraagt op je werkplek, ouderlijk huis of elders.

Ik las dat dit het eerste promotieonderzoek naar biseksualiteit is in Nederland. Dat verbaast me. In 2018 pas het eerste onderzoek, klopt dat wel?
Dat klopt in zoverre dat weinig wetenschappers zich er volledig op richten. Ik heb twee collega’s die er wel wat over hebben geschreven in hun proefschrift, maar dat was een hoofdstuk – geen heel proefschrift. Ik ging me als eerste volledig focussen op die doelgroep.

Hoe zou je jezelf noemen als je deze specialisatie in een functietitel moet gieten, waarin zowel geografie als seksualiteit naar voren komt?
Dat is lastig. Officieel ben ik natuurlijk opgeleid als sociaal geograaf, maar de laatste jaren probeer ik me veel breder te oriënteren en haal ik ook inspiratie uit de sociologie, de filosofie en de psychologie. Ik ben eigenlijk meer een sociale wetenschapper geworden, maar blijf als sociaal geograaf wel altijd de ruimtelijke aspecten opzoeken. Dat doe ik in mijn werk nu nog steeds. Ik doe bijvoorbeeld onderzoek naar geweld tegen vrouwen en LHBTI-personen en ook daar zit een heel erg ruimtelijke component in. Dus die geografische bril houd je altijd wel op.

Dus je bent eigenlijk ‘specialist in de geografie van (bi)seksualiteit en gender’?
Ja, dat is het beste. Maar het geografie-deel wordt dus wel iets minder de laatste jaren.

Deel III: carrièrekeuzes

Kun je me een beetje meenemen door je carrière? Je werkt nu bij Atria, maar je hebt daarvoor ook een aantal andere banen gehad.
Ik heb onder andere gewerkt bij Rutgers, een kenniscentrum op het gebied van seksualiteit. Daar heb ik onderzoek gedaan naar online dating ervaringen van mannen die op mannen vallen. Dat had ook een geografische component, omdat het ging om het verschil in interactie tussen online en offline ontmoetingen. En in hoeverre de emotionele ervaring daarbij anders is. Dat onderzoek is vorig jaar gepubliceerd en verschijnt dit jaar ook in een nieuw boek. En daarnaast heb ik gewerkt voor de Universiteit Utrecht, waar ik literatuuronderzoek heb gedaan met twee collega’s naar gemeenschapstuinen.

Gemeenschapstuinen? Wat was dat voor onderzoek?
Het ging over de mogelijke interacties tussen het gezondheidsdiscourse en gemeenschapstuinen, want het is natuurlijk de tijd van biologisch en lokaal eten en leven. Deelnemers aan gemeenschapstuinen kunnen worden gezien als gezonde en daarmee goede mensen. Wat is de impact daarvan op mensen die niet de tijd en het geld hebben om deel te nemen aan die hype van gemeenschapstuinen? Je hebt mensen die in die tuinen ‘goed en biologisch’ eten aan het verbouwen zijn en mensen die daar niet het tijd of het geld voor hebben of er simpelweg niets mee hebben, worden die dan gezien als lui en ongezond? Dat hebben we verkend. Of die hype ook negatieve gevolgen kan hebben. Maar ook de positieve: veroorzaken de gemeenschapstuinen sociale cohesie in de buurt?

Maar dit onderzoek klinkt bijna als een zijstap voor jou, qua onderwerp. Het is heel anders dan wat jij in het gros van je onderzoeken hebt gedaan.
Als je kijkt naar de thematiek wel, maar in een breder perspectief niet. We keken wel weer naar menselijke interactie en de relatie daarmee tot de ruimte, ook vanuit theoretische benaderingen die ik regelmatig gebruik: geographies of encountering difference.

Wat zijn de hoogtepunten uit je carrière tot dusver?
Het schrijven van artikelen voor tijdschriften en de eerste publicaties, maar ook het zelf organiseren van het eerste Europese wetenschappelijk congres over biseksualiteit en daarbij het samenbrengen van onderzoekers, activisten en beleidsmakers was een hoogtepunt.

Je werkt nu ongeveer een halfjaar bij Atria, wat is dit precies?
Het is een kenniscentrum voor emancipatie en vrouwengeschiedenis. Het eerste is vooral voor onderzoek en beleidsadvies, het tweede voor het archief dat Atria bijhoudt. Er zijn twee belangrijke allianties waar Atria deel van uitmaakt. Het ene (Werk.en.de Toekomst) is een focus op het voorkomen van arbeidsstereotypen – dat vrouwen en mannen beter zouden zijn in verschillende beroepen zoals verpleger of bouwvakker. We kijken in hoeverre we aan de hand van rolmodellen ervoor kunnen zorgen dat keuzes meer gebaseerd op kwaliteiten en interesses en minder op basis van verwachtingen van gender. En de tweede focus, die ik het interessantst vind, gaat over geweld tegen vrouwen en LHBTI-personen (Alliantie: Act4Respect). Dat is interessant omdat de huidige onderzoeken gebruikt worden voor een nieuwe campagne en om bestaande  interventies door te ontwikkelen.

En wat is precies jouw rol daarin?
Ik heb onderzoek gedaan naar bestaande interventies – en naar het succes daarvan. Wat werkt wel en wat werkt niet bij jongeren? En onderzoek naar de factoren die van invloed zijn op het daderschap van geweld tegen vrouwen en LHBTI-personen. Ook daarin komt het geografische element terug. We kijken naar het individu, maar ook de ruimtelijke en sociale context waarin die zich bevindt. Woonomgeving, ouders, vrienden, klasgenoten.

Hoe wordt dit omgezet in beleid? Wie zijn opdrachtgevers van Atria?
We werken vooral veel voor ministeries en ngo’s. De onderzoeken en beleidsadviezen over arbeidsstereotypen en geweld, waarover ik net heb verteld, worden gesponsord door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Resulteren die onderzoeken uiteindelijk in een soort adviesrapport?
Ja, dat klopt. Daar resulteert het vaak wel in.

En werk jij er op vaste basis of is dit op projectbasis?
Ik werk er bijna fulltime.

Heb je daarnaast nog projecten lopen, gezien je altijd wel actief bent met onderzoeken en klussen?
Ja, ik doe nog wat onderzoek in mijn vrije tijd. En ben actief voor AGORA, het magazine voor sociaalruimtelijke vraagstukken.

Deel IV: Tips

Wat heb je voor tips voor geografen aan het begin van hun carrière die dit interview lezen en denken: wat een ontzettend leuke baan?
Ik heb tijdens de bachelor in Utrecht de kans gehad om een Honours Programme te volgen en daardoor kon ik mijn eigen pad uitstippelen, mijn hart volgen. Ik kon me daardoor steeds meer richten op de onderwerpen die ik leuk vond. Dat kan ik iedereen aanraden. Maar je moet ook opletten dat mensen je niet alleen maar gaan associëren met juist die onderwerpen. Blijf je daarom verbreden en verdiepen, zodat je meer kan dan alleen maar dat ene thema.

Hoe heb jij dat dan gedaan? Je bent natuurlijk trots op je specialisme maar je blijft jezelf dus ook op een andere manier prikkelen?
Ja, doordat ik actief ben voor AGORA verdiep ik me ook in andere thema’s dan seksualiteit en gender. En ik heb andere onderzoeken gedaan, zoals de gemeenschapstuinen. Seksualiteit en gender vind ik natuurlijk wel het leukst, maar daar beperk ik me niet tot.

Hoop je dat er meer geografen komen die dit pad kiezen, die zich gaan richten op (bi)seksualiteit en gender? Of vind je het leuk een van de weinige te blijven?  
Hoe meer hoe beter. Het is een relatief nieuw veld, er valt nog heel veel te ontdekken! Er zijn nog zoveel onderwerpen en doelgroepen te bestuderen.

Hieronder vind je een selectie van Emiels publicaties:

Reacties

    Plaats een reactie

    Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.