Ga door naar hoofdcontent
ArtikelenScheldestromen: het AHN en waterveiligheid
Voorbeeld 3

Scheldestromen: het AHN en waterveiligheid

Woensdag 1 april 2020Afbeelding Scheldestromen: het AHN en waterveiligheid

In Zeeland zijn ze de watersnoodramp van 1953 nog lang niet vergeten. Nu de zeespiegel stijgt en sommigen zelfs speculeren over het teruggeven van land aan zee, heeft waterveiligheid absoluut prioriteit. Waterschap Scheldestromen gebruikt het AHN bij het controleren van dijken maar ook bij het kiezen en ontwerpen van de juiste dijkversterkingsmaatregelen.

“In ons beheergebied hebben we bijna 500 kilometer aan duinen en duinen”, vertelt Raymond Derksen, beleidsmedewerker bij de afdeling waterkeringen. “Al deze keringen moeten voldoen aan de landelijke veiligheidsnormen die sinds 2017 gelden. De normeringen verschillen per type waterkering. Ze zijn ook afgestemd op gevolgen van de klimaatverandering, waaronder de stijgende zeespiegel en meer golfslag. Redenen om een dijk af te keuren zijn bijvoorbeeld dat hij niet hoog genoeg is, te smal of instabiel. Instabiliteit kan onder meer ontstaan door piping: minuscule waterstroompjes onder de dijk die zand met zich meenemen. Hierdoor verzwakt de dijk.”

Profiel trekken

Binnen de huidige normering moeten de Nederlandse waterschappen eens per twaalf jaar al hun waterkeringen controleren. Dit is een continu proces waarbij waterschap Scheldestromen standaard gebruik maakt van het AHN. “We werken bijvoorbeeld met dijkprofielen”, zegt Derksen. Op een AHN-kaart volgt hij met zijn vinger een dijk langs de kust. “Om de honderd meter zie je een dijkpaal”, wijst hij. “Bij elke paal trekken we een profiel, ofwel een dwarsdoorsnede. Doordat het AHN op deze dwarsdoorsnede de hoogtepunten geeft, zien we precies welke vorm de kering heeft. Voldoet de dijk volgens het profiel niet aan de normen, dan is de waterveiligheid mogelijk onvoldoende geborgd. Om zeker te weten waar we aan toe zijn, leggen we het AHN ook altijd naast de 3D-informatie uit ons waterkeringenbestand. Het kan immers zo zijn dat het dijkprofiel door de tijd heen is veranderd, bijvoorbeeld door stuivend zand.”

ArcGis-plaatje met daarin het AHN en de multibeam ingetekend.

Waterschappen moeten eens per twaalf jaar al hun waterkeringen controleren

Compleet plaatje

“Dijkverbeteringen kunnen in de hoogte en in de breedte worden uitgevoerd”, legt Derksen uit. “Verbreden is onder meer mogelijk door de dijk landinwaarts met klei te versterken. Als hier vanwege bebouwing geen ruimte voor is, moeten we richting het water versterken. Dit is echter weer niet mogelijk als vlak voor de kust een diepe geul onder water ligt. Het AHN meet niet onder water, daarom meten we het onderwaterprofiel zelf met een peilboot in. Door de metingen van het vliegtuig en de boot aan elkaar te ‘plakken’, maken we het plaatje compleet en kunnen we keuzes maken. Na een dijkverbetering kan de dijk er zeker weer vijftig jaar tegen.”

Dwarsprofiel opgebouwd uit het AHN en de multibeam ter plaatse van dijkpaal 316 (zwarte lijn in ArcGis-plaatje)
Dwarsprofiel op basis van het AHN en een dwarsprofiel uit het waterkeringenbestand (3D-informatie)

Vliegen tijdens eb

Het belangrijkste voor Scheldestromen is de nauwkeurigheid van het AHN. “AHN3 was al een stuk gedetailleerder dan AHN2”, weet Derksen nog. “Voor AHN4 hoopt ik dat er weer zoveel mogelijk buitendijkse gronden meegenomen worden. Langs de Zeeuwse kust liggen namelijk veel schorren en slikken. Een slik is een onbegroeide laaggelegen zandplaat. Een schor is een door sedimentatie opgehoogd slik met permanente plantengroei. Om ook voor deze gebieden goede hoogtemetingen te verkrijgen, moeten onze kustgebieden tijdens laag water gevlogen worden.”