Ga door naar hoofdcontent
ArtikelenTropische wateren in kaart: de organisatie van de Nederlandse hydrografische kartering in de 19e eeuw

Tropische wateren in kaart: de organisatie van de Nederlandse hydrografische kartering in de 19e eeuw

Vrijdag 26 maart 2021Afbeelding Tropische wateren in kaart: de organisatie van de Nederlandse hydrografische kartering in de 19e eeuw

In de achttiende eeuw, toen nationale hydrografische diensten in de centraal bestuurde staten Frankrijk en Groot-Brittannië nieuwe kaarttechnieken ontwikkelden, nam het overwicht van Nederlandse uitgevers bij de productie van wereldwijde zeekaarten, met name door de firma Van Keulen, af. In een poging bij te blijven, richtten de Nederlandse autoriteiten in 1787 een ‘Commissie tot de Zaaken, het bepalen der lengte op zee en de verbetering der zeekaarten betreffende’ op, die voortaan marineofficieren verantwoordelijk stelde voor de inhoud van de Nederlandse zeekaarten in plaats van de VOC of de firma Van Keulen. De commerciële productie en verspreiding van de zeekaarten bleef voorlopig echter in handen van de firma Van Keulen.

Pas vanaf 1815 gaf de Nederlandse marine in het nieuw gecentraliseerde Koninkrijk der Nederlanden opdracht tot het systematisch in kaart brengen van de Nederlandse kust en zeegaten. Het eerste resultaat daarvan was de ‘Hydrographische kaart van de Texel Stroom’ (zie figuur 1) uit 1816 van J.C. Rijk die later (1843-1849) zijn land zou dienen als minister van Marine. Het was de eerste gedrukte Nederlandse zeekaart, gebaseerd op kusttriangulatie, die ook een systeem van dieptelijnen liet zien (deze nieuwe methode moest nog wel in de marge worden uitgelegd aan de kaartgebruikers [1]). De Texel Stroom, oftewel het Marsdiep, vormde de belangrijkste verbinding tussen de haven van Amsterdam en de volle zee, dus was het logisch dat deze passage als eerste in kaart werd gebracht; in 1825 produceerde J.C. Rijk een soortgelijke kaart van de monding van de Schelde, die toegang gaf tot de toenmalige tweede haven in het Koninkrijk, Antwerpen. Dus was de situatie zo, dat marineschepen de thuiswateren karteerden en dat de daaruit resulterende zeekaarten meestal gepubliceerd werden door de firma Van Keulen.

Figuur 1. Detail van de zeekaart van het Marsgat uit 1816, opgenomen door J.C. Rijk. Het is de eerste Nederlandse zeekaart vervaardigd na de Frans tijd. Noord-Holland Archief NL-HlmNHA_560_1706.tjp

De bij de opname gebruikte methoden waren gedeeltelijk gebaseerd op de Méthodes pour la levée et la construction des cartes et plans hydrographiques, een leerboek dat in 1808 geschreven was door de Franse hydrograaf Charles-Francois Beautemps-Beaupré [2]. Eigenlijk is de eerste kaart van de Nederlandse kusten en zeegaten op basis van deze methoden afkomstig uit Frankrijk, want van 1799 tot 1806 verrichtte Beautemps-Beaupré een hydrografische opname van de kusten van Zeeland en Zuid-Holland. Maar de resulterende zeekaart werd pas in 1817 gepubliceerd als Carte reduite des côtes des Pays-Bas depuis Ostende jusqu’à Hellevoetssluis.

Oost-Indië

In de Oost-Indische wateren produceerden leerlingen en personeel van de Marine en Militaire Academie in Semarang (Java), met Jan Theunis Busscher (ca. 1773-1846) als voornaamste vertegenwoordiger, van 1782 tot 1812 zo’n 90 manuscriptkaarten (zie figuur 2) die de gehele archipel bestreken, waardoor de 18e-eeuwse kaarten van de VOC werden geactualiseerd.

Vanaf 1816 bevestigde Nederland opnieuw zijn soevereiniteit over de Oost-Indische archipel, na het Britse interregnum (1811-1816), en in 1821 werd onder gouverneur-generaal Van der Capellen een ‘Commissie tot verbetering van Indische zeekaarten’ opgericht in Batavia. Die commissie moest het uitvoeren van opnames bevorderen en tevens fungeren als een clearing house voor alle hydrografische informatie. In de kolonie was een koloniale (militaire) marine ontstaan, waaraan enkele schepen van de Nederlandse Marine als hulpsquadron waren toegevoegd, en beide kregen opnametaken. Maar door geldgebrek vanwege de Java-oorlog en de oorlog met België, het opheffen van de koloniale marine en de tijdelijke opheffing van 1834 tot 1838 van de Commissie voor de Verbetering, begon het systematisch in kaart brengen van de Oost- Indische wateren door de Nederlandse marine pas echt in 1858. Vóór die datum werden alleen de belangrijkste scheepvaartroutes door de archipel gedeeltelijk in kaart gebracht [3]. Zo was de noordkust van Java opgenomen in de jaren 1830, de vaarroutes tussen Sumatra en Borneo werden in de jaren 1840 in kaart gebracht en delen van de westkust van Sumatra in de jaren 1850. De belangrijkste Nederlandse hydrografen die deze opnames uitvoerden, waren P. Melvill van Carnbee (1854) [4] en H.D.A. Smits. Beiden produceerden zeemansgidsen en zeekaarten, en Melvill vervaardigde ook een atlas van de archipel.

Figuur 2. Zeekaart door J.T. Busscher van het eiland Nusa Kambangan aan de zuidkust van Java. Nationaal Archief: HaNa_4.MIKO_93

Het feit dat Britse en Franse opnamevaartuigen toestemming vroegen om karteringen uit te voeren in de archipel [5], zette de koloniale autoriteiten ertoe aan meer middelen beschikbaar te stellen voor de marine en in 1858 werd een van de marineschepen, H.M. schoener Pylades, aangewezen voor hydrografische taken en werd er een opname-schema vastgesteld. Deze brigantijn Pylades heeft aan het begin gestaan van een ononderbroken reeks hiervoor speciaal uitgeruste opnameschepen van de Koninklijke Nederlandse Marine, die geleidelijk de hele archipel opnieuw in kaart zouden brengen [6]. Straat Bangka, Straat Riau en de westkust van Borneo werden in de jaren 1860 in kaart gebracht. In de jaren 1870 werden enkele havens aan de kusten van Noord-Sumatra gekarteerd (vanwege de Atjeh-oorlog), evenals de westelijke Kleine Soenda-eilanden, in de jaren 1880 kwamen de zuidkust van Borneo en de westkust van Celebes aan de beurt. In de jaren 1890 maakte de ontwikkeling van de landbouw in Deli meer gedetailleerde kaarten van de oostkust van Sumatra noodzakelijk. Ondanks al deze inspanningen ontbraken tegen het einde van de 19e eeuw gedetailleerde kaarten van de zuidkust van Java, de oostelijke Kleine Soenda-eilanden, de eilanden ten noorden van Celebes, de Molukken en de noord- en zuidwestkust van Nieuw-Guinea (zie figuur 3).

Op instigatie van de Commissie tot verbetering van Indische zeekaarten werden de opnames uitgevoerd door officieren van de Nederlandse Marine, en na 1861 ook door officieren van de Gouvernementsmarine, een koloniale overheidstak bedoeld voor het vervoer van ambtenaren van en naar de buitengebieden. In 1823 werd in Batavia een depot voor hydrografische kaarten opgericht, verbonden aan de Commissie. Dit depot evolueerde gaandeweg tot het karteringsbureau van de Commissie; in 1860 werd het door het reorganisatiebesluit van 9 december 1859 officieel het Hydrografisch Bureau van de Nederlandse Marine. 1e luitenant A.C.J. Edeling, die in 1857 beheerder werd van het kaartendepot, werd drie jaar later benoemd tot hoofd van dit Hydrografisch Bureau in de nieuwe organisatie. Hij zou als zodanig bijna 40 jaar aanblijven.

Figuur 3. Tot 1904 door de Koninklijke Nederlandse Marine opgenomen wateren in de Indische archipel

Het was aanvankelijk gebruikelijk, dat de Commissie haar kaarten naar het moederland stuurde voor reproductie en publicatie, maar vanaf de jaren 1830 kwamen er ook lithografische drukfaciliteiten beschikbaar in Batavia en die werden ook toegepast voor de reproductie van kaarten. Aanvankelijk konden alleen afdrukken op klein formaat (zeg A3) worden geproduceerd, maar geleidelijk konden ook conventionele zeekaartformaten worden verwerkt. In 1847 werd de eerste zeemansgids (de Zeemans-gids voor straat Banka en Gaspar door H.D.A. Smits) geproduceerd en gedrukt in Batavia, zodat de informatie die deze gids bevatte twee jaar eerder voor publicatie gereed kwam dan wanneer de verwerking ervan in Nederland zou hebben plaatsgevonden [7].

Het personeel van het (Indische) Hydrografisch Bureau in Batavia bestond uit een chef, een hem assisterende marineofficier als plaatsvervangend chef, een tekenaar/lithograaf en zijn assistenten. De plaatsvervangend chef trad ook op als secretaris van de Commissie en had de leiding over het hoofdkaartendepot in Batavia; in de archipel werden bovendien 18 subdepots opgericht, waar men zeekaarten van de Indische wateren kon verkrijgen. Resumerende kan men stellen dat er in Batavia een zelfstandig hydrografisch bureau van de Nederlandse marine was gevestigd dat, met een eigen opnameschip, zeekaarten en zeemansgidsen voor de Indische wateren kon leveren.

In het moederland

Figuur 4. Overzicht van de in de periode 1816-1868 van Nederland geproduceerde zeekaarten (Koeman, 1985)

In Nederland bleef het marinepersoneel in de tussentijd de steeds van loop veranderende zeegaten karteren, hetgeen resulteerde in 16 kaartbladen (zie figuur 4) geproduceerd in de periode 1816-1868, meestal op schaal 1: 30.000 tot 1: 50.000, waarvan elke vier tot vijf jaar nieuwe edities uitkwamen [1]. Geleidelijk werden, naast de firma Van Keulen, meer drukkers bij de publicatie van deze zeekaarten betrokken. Sinds 1848 konden de geproduceerde kaarten ook rechtstreeks bij de Marine in Den Haag worden verkregen, waardoor de inrichting van een kaartendepot noodzakelijk werd.

De officier die belast was met het in kaart brengen van de thuiswateren werd in 1861 benoemd tot Chef der Hydrographie der Nederlandsche zeegaten – en met de erkenning van deze positie zou, in combinatie met het kaartendepot, geleidelijk in het volgend decennium de kern van een hydrografisch bureau voor de thuiswateren ontstaan.

Oost-Indië 1862-1894: de strijd voor onafhankelijkheid van het Hydrografisch Bureau van Batavia

Figuur 5. Samenstelling van het personeel van het Hydrografisch Bureau in Batavia in 1883 (Javabode 23-11-1883)

Ondertussen werd in Batavia in 1862 een Geografische Dienst opgericht binnen het departement van de Marine, belast met astronomische positionering: sinds 1851 was al een geografisch ingenieur, S.H. de Lange, gedetacheerd bij de Commissie tot verbetering der Indische zeekaarten, voor het bepalen van astronomische posities, na hiervoor opgeleid te zijn aan de Universiteits-sterrewacht in Leiden. Na diens overlijden werd hij in 1857 vervangen door de hoogleraar astronomie aan de Universiteit Utrecht, Jean Oudemans, wiens belangrijkste wapenfeit de triangulatie van Java zou worden. In 1867 werd de Commissie ontbonden omdat ze overbodig was geworden. In 1864 was het Hydrografisch bureau na een reorganisatie al omgevormd tot een afdeling van het Marine-departement in Batavia. De laatste actie van de Commissie betrof de publicatie van een eindrapport waarin de resultaten van het Hydrografisch bureau als teleurstellend werden omschreven, vanwege het gebrek aan mankracht en slechte drukfaciliteiten. Dit ongunstige rapport is mede aanleiding geweest voor het voorstel (voor het eerst geuit in het voor het Parlement bestemde Koloniale Verslag van 1867) om het Hydrografisch bureau van Batavia naar Nederland over te brengen, en wel om financiële en technische redenen: het drukken in het moederland zou goedkoper zijn en bovendien waren er in Batavia geen kopergraveurs te vinden. De kosten van de te verwachten vertragingen bij de communicatie van hydrografische informatie werden in de overwegingen niet meegenomen. Deze voorgestelde verhuizing was niet erg populair in marinekringen, en pas in 1871/72, net toen bureauchef Edeling op verlengd verlof in Nederland vertoefde, werd een eerste deel van het archief via het pas geopende Suezkanaal naar Nederland verscheept, de rest arriveerde in 1873. De plaatsvervangend hoofdluitenant J.T.F. Bruyn van het Indische bureau was het meest uitgesproken geweest in zijn protesten tegen het overdrachtsbesluit en werd daarom publiekelijk bekritiseerd door de minister van Marine [6]. Bruyn werd op wachtgeld gezet toen hij in 1874 terugkeerde naar Nederland, na verantwoordelijk te zijn geweest voor het veilige transport van de lithografische stenen. Tien jaar eerder (1863) was hij nog eervol vermeld vanwege zijn dappere gedrag tijdens een zeeslag in de Straat van Shimonoseki in de Japanse wateren, dienend onder de Nederlandse schout bij nacht De Casembroot.

De extra taken op het bureau van de Chef der Hydrographie der Nederlandsche zeegaten leidden in 1874 tot de formele oprichting van een Hydrografisch Bureau in Den Haag, als 5e afdeling van het ministerie van Marine. Maar al kort daarna, (omdat men onvoldoende steun kreeg om de kaartproductie voor de Oost-Indische wateren adequaat voort te zetten) klaagt het Koloniale Verslag uit 1874 dat de overdracht nadelig was geweest voor de veiligheid op zee, en in de koloniale begroting voor 1876 werd al weer een post opgenomen voor de financiering van de wederopstanding van het Hydrografische bureau in Batavia. Alle twijfels over de juistheid van deze beslissing werden weggenomen door de schipbreuk met 129 slachtoffers van de koloniale civiele marinestoomboot ‘Luitenant-Generaal Kroesen’ in juni 1876, die een niet op de zeekaart aangegeven onderzeese rots in Straat Soenda raakte. Deze gebeurtenis resulteerde in luide claims in de koloniale pers voor het onmiddellijke heropnemen van Straat Soenda. Een van de passagiers van de gezonken ‘Kroesen’ was 1e luitenant Edeling geweest, de voormalige chef van het (Indische) Hydrografisch Bureau, die terugkeerde van een inspectiereis naar West-Sumatra om de havenfaciliteiten te controleren die uiteindelijk de verscheping van steenkool vanuit de Ombilin-mijnen ten oosten van Padang zouden moeten afhandelen. Edeling heeft deze beproeving overleefd en moet voortaan daardoor nog meer gemotiveerd zijn geweest om de zeekaarten te verbeteren. In 1872 was hij, na zijn Europees verlof, toen zijn functie bij het Hydrografisch Bureau werd opgeschort, afgevaardigd naar de Minahassa in Noord-Celebes om daar de mogelijkheden voor de koffiecultuur te onderzoeken. Blijkbaar hadden Nederlandse marineofficieren veel talenten, want hij publiceerde ook artikelen over vogelsoorten. Eindelijk werd hij in 1877 opnieuw benoemd tot hoofd van het Hydrografisch Bureau, toen dat bureau weer operationeel werd in Batavia, en luitenant Bruyn het archief weer veilig (zij het zonder de lithografische stenen) naar zijn oorspronkelijke gebouwen had teruggebracht.

Figuur 6. Aantal nieuwe edities en producten van Nederlandse zeekaarten in de 19e eeuw (per decade)

Toen Bruyn bij die wederopstanding weer als plaatsvervangend hoofd van het bureau in Batavia werd aanbevolen, werd dat geweigerd door de minister, die zich alle luidruchtige protesten van Bruyn herinnerde. Het duurde zelfs tot eind 1878 voordat Bruyn weer in zijn voormalige plaatsvervangend chef-functie werd herbenoemd. Drie jaar later werd hij benoemd tot inspecteur van de kustlicht- en loodsdiensten. In 1882 werd hem om medische redenen een verlengd verlof naar Europa toegestaan, dat eindigde met zijn eervol ontslag in 1885. De laatste keer dat we over hem horen in Nederlandse kranten, is toen hij in 1888 een reünie van zijn scheepsmaten bijwoonde op de 25ste verjaardag van de slag in de Shimonoseki-zeestraat.

Het bureau bestond intussen uit een chef, een adjunct-chef die ook verantwoordelijk was voor het kaartendepot, een inheemse assistent en enkele klerken. Onderdeel van het terugkeer-besluit was geweest dat de kaarten in het moederland gedrukt zouden (blijven) worden (hoewel de Nederlandse pers hiertegen protesteerde en beweerde dat dit de winst van het terugbrengen van het bureau naar Batavia grotendeels teniet zou doen), dus werden aanvankelijk geen lithografen toegevoegd aan het bureau Batavia, maar dit veranderde in 1882, toen de lithografische stenen die nog in Den Haag aanwezig waren, weer werden verscheept (zie ook figuur 5). Dit besluit was mede ingegeven door de praktijk in het Britse rijk, waar in 1862 de Indiase hydrografische dienst werd overgebracht naar Londen, om in 1874 opnieuw naar Calcutta te worden overgebracht. In 1877 werden ook twee marineofficieren bij het bureau in Batavia aangesteld, waarvan er een voor astronomische plaatsbepalingen moest zorgen. In 1882 werden twee lithografen, een tekenaar en een drukker aan het bureau toegevoegd. In 1883 werden behalve het stoomschip ‘Hydrograaf’ ook twee schoeners voor hydrografische doeleinden in gebruik genomen, en in 1891 werd een tweede stoomschip geselecteerd voor hydrografische taken. Naast de Geologische Dienst, het Kadaster en de Topografische Dienst was het Hydrografisch Bureau de vierde gespecialiseerde karteringsdienst in Batavia. Dit versterkte zeker het wetenschappelijke klimaat in de kolonie, maar deze ideale situatie zou niet blijvend zijn.

Figuur 7. Op de zeekaarten voorkomende logo’s uit, van links naar rechts, 1834, 1869, 1873, 1876 en 1894

In de jaren 1880 werd er campagne gevoerd door het toen invloedrijke Koninklijke Nederlandse Aardrijkskundige Genootschap, met de voormalige directeur van de koloniale Topografische Dienst, Versteeg, als belangrijkste woordvoerder, tegen het Hydrografisch bureau in Batavia omdat dat niet aan zijn taak zou voldoen, naar te veel precisie op de zeekaarten streefde, en te langzaam zou werken. Edeling wees er bij het beantwoorden van deze kritiek op, dat Brits-Indië, met een veel kortere kustlijn, over 6 opnameschepen beschikte, waar de Indische archipel er maar één had, en dat de Britse opnameschepen het onder vergelijkbare omstandigheden niet beter deden dan de Nederlandse, maar zijn verweer had onvoldoende effect. In 1886 manifesteerde het bezuinigingsspook zich opnieuw en in 1887 werd, opnieuw tegen het expliciete advies van de marinecommandant in Batavia in, door de Nederlandse regering besloten om het Oost-Indische hydrografische bureau weer naar Den Haag over te brengen, met als argument (ondanks het feit dat ongeveer 85% van de kaarten die namens de regering werden geproduceerd, Oost-Indische wateren afbeeldden), dat productie, reproductie en distributie in het moederland goedkoper, efficiënter en sneller uitgevoerd konden worden. Door de ministers van Koloniën en Marine werd beweerd dat met deze verhuizing naar Nederland jaarlijks zo’n 50.000 gulden kon worden bespaard. Dit klopte helemaal niet, want eenmaal terug in Nederland bleek dat daar geen graveurs te vinden waren voor de koperplaten, en de gravure in Parijs moest gebeuren, en dat er geen pand beschikbaar was en een nieuw pand gehuurd moest worden. Maar het besluit werd niet herroepen, hoewel het zes jaar duurde voordat het van kracht werd. In 1894 zou volgens Koninklijk Besluit nr. 3 afgekondigd op 30 maart 1894 nr. 3 het bureau voor Indische hydrografie in Batavia worden toegevoegd aan het Hydrografisch Bureau van de Nederlandse Marine in Den Haag (bestaand sinds 1874), onder zijn eigen chef, met vier assistenten, een kartograaf en vier bedienden. Edeling maakte dit niet meer mee: nog in 1892 onderscheiden met de Orde van de Nederlandse Leeuw (ridder) ging hij in 1894 met pensioen en koos ervoor om op Java te blijven, ver van de Nederlandse geografen die hem hadden bekritiseerd, en stierf in 1898 in Bandoeng. In 1895 werd het hydrografische bureau in Batavia ontmanteld, of liever gedegradeerd tot een kaartendepot, en werd het onderdeel van sectie VII van het Marine-departement in Oost-Indië, verantwoordelijk voor kustlichten, betonning en loodswerk. In het overdrachtsreglement was vastgelegd dat de opnamelocaties in de archipel voortaan in Nederland zouden worden vastgesteld. In 1898 hield het bureau voor Indische hydrografie in Den Haag op te bestaan als een afzonderlijke sectie en werd het volledig samengevoegd met het (Nederlandse) hydrografisch bureau van de marine. Toen voor de koloniale begroting van 1899 een groter bedrag werd gevraagd voor het hydrografische onderzoek, kwam er een boze reactie van het parlement, dat beweerde dat het was misleid omdat er een besparing van 50.000 was voorgespiegeld, en het weigerde de gevraagde verhoging.

Figuur 8. Verschuiving in de aandacht voor te karteren gebieden in de 19e eeuw.

Maar, afgezien van enkele jaren in de jaren 1870, werden gedurende bijna 60 jaar, van 1834 tot 1894, zeekaarten getekend en gedrukt in Batavia. In de loop van de 19e eeuw was het aandeel van de vestiging van Van Keulen in Amsterdam in de Nederlandse kaartproductie afgenomen van 94% in het jaar 1800 tot 2% in het laatste decennium, en de door de staat gesponsorde kaartproductie in Nederland nam in de dezelfde periode toe van 6% tot 98%, maar deze cijfers verhullen dat daartussen, bijvoorbeeld in de jaren 1860, ongeveer 54% en in de jaren 1880 ongeveer 53% van alle nieuwe Nederlandse hydrografische kaartuitgaven in Batavia werd geproduceerd. In dezelfde periode nam het aantal nieuwe edities van Nederlandse zeekaarten toe van 18 in het eerste decennium tot 265 in de jaren 1890-1900 (en 310 in het volgende decennium). Zie ook figuur 6.

De logo’s op de kaarten geven de verantwoordelijke instellingen aan: van 1834 tot 1869 werd het logo van de Commissie tot verbetering der Indische zeekaarten aangebracht op de kaarten getekend en gelithografeerd in Batavia. Bij overname van de Commissie door de Marine in Batavia werd het logo gewijzigd in Hydrographisch Bureau Batavia (1869-1871). Van 1873 tot 1876 wordt het Bureau overgebracht naar de metropool, maar nog steeds als een aparte entiteit, hoewel het in 1874 samen met het voor de productie van kaarten van de thuiswateren verantwoordelijke personeel, het Hydrografisch Bureau van het Ministerie van de Marine vormde. Terug in Batavia in 1876 veranderde het logo opnieuw, waarbij het Nederlandse marine-embleem werd gecombineerd met de vorige tekst. Vanaf 1895 verliet het Indische bureau Batavia voorgoed en in 1897 fuseerde het volledig met het Hydrografisch Bureau in Den Haag.

Van de 265 kaartuitgaven geproduceerd in de jaren 1890-1900 bedekten 218 Oost-Indische wateren, 40 de thuiswateren en 7 de Nederlandse Caribische bezittingen. In het jaar 1900 werden 5900 exemplaren van kaarten van Indonesische wateren aan klanten geleverd, tegen 900 voor de Nederlandse thuiswateren [6]. De kaarten van de thuiswateren waren meestal op schalen 1: 30-50.000; die van de Oost-Indische archipel waren kleiner (zie ook tabel 1).

Tabel 1. Aantallen beschikbare Nederlandse zeekaarten van Nederlands-Indië (Encyclopaedie van Nederlands Indië, 1918)

Inhoud en vormgeving van de Nederlandse kaarten

Naast peilingen, oevers, kliffen en boeien worden vanaf 1816 voor Nederland en vanaf 1835 voor de Indische wateren 1, 3 en 5 vademdieptelijnen ingetekend. Sinds de jaren 1840 was er in de Oost een tendens om op de zeekaarten langs de kusten een smalle strook met grondgebruiksinformatie op te nemen; vanaf de jaren 1880 werd dit uitgebreid tot een 10 km brede grondgebruiksgordel, speciaal voor Java, waar de in 1880 voltooide topografische kaartserie 1: 100 000, de ‘residentiekaart’ als bron gebruikt kon worden. Kusttypes werden aangegeven, verdeeld in rotsachtige, bergachtige, lage zandstranden en ‘gewone’ kusten; het voorkomen van branding of golfbrekers werd aangeduid, en de weergave van riffen en kliffen werd gedifferentieerd afhankelijk van hun relatieve niveaus in vergelijking met het zeeoppervlak. De bodemeigenschappen van de zeebodem werden weergegeven met codes. In 1842 experimenteerde luitenant ter zee Charles William Meredith van de Velde (1818-1898), die later beroemd zou worden om zijn kaart van het Heilige Land, in zijn Kaart van de eilanden beoosten Java met kustkleuren die de bronnen voor zijn kaart aanduidden: zwart voor de kuststroken gekopieerd van de Britse hydrografische expert Horsburgh, blauw, groen en rood volgens opnames van respectievelijk de hydrografen Edeling, Friese en Baars in de jaren 1830.

Figuur 9. Benedendeel van de zeekaart Noordkust Java – Reede Tefal, in 1887 uitgegeven in Batavia, met een kustgezicht op de vulkaan de Slamat. De grondgebruiksstrook langs de kust was gebaseerd op de Residentiekaart van Java 1:100 000. Nationaal Archief 4 MIKO 1301.

De afbeelding van het landreliëf op de kaarten van de Indische wateren volgde een onafhankelijke koers, en werd niet beïnvloed door Europese praktijken. Het reliëf werd eerst weergegeven door schrapjes, die alleen enkele opvallende bergtoppen in het binnenland of kustkenmerken weergaven, en in de jaren 1860 werd dit veranderd voor een beleid om alle bergen af te beelden die men vanuit zee kon zien, met witte toppen of randlijnen. De niet zichtbare gebieden werden wit gelaten, en dit gaf het aanzien van immense witte plateaus in het binnenland, totaal onverenigbaar met de werkelijkheid. Later, in de jaren 1880, toen meer informatie van topografische kaarten beschikbaar kwam, werd het reliëf in het binnenland gedetailleerder en nauwkeuriger weergegeven, hoewel de reliëfschrapjes dan de neiging kregen om te dominant te worden. In de jaren 1890 werd dit teruggedraaid en keerden de tekenaars terug naar het oorspronkelijke beleid om alleen die toppen weer te geven die voor de navigatie werden gebruikt. Een aantal bladen toont een integratie van kaarten en kustgezichten. Die laatste konden echte kunstwerkjes zijn, met dramatische vulkaankegels die boven de kustlijnen uittorenden (zie figuur 9). Sommige van deze kustgezichten waren afgeleid van door marineofficieren vervaardigde aquarellen. Tegen het einde van de eeuw werden kustgezichten niet meer op de kaarten verwerkt, maar samen afgedrukt als bijlagen bij de 5 delen van de ‘Zeemansgids voor den Oost-Indischen archipel’ (1899-1908). De combinatie van de zwart-witkaarten met een ondersteunende tint voor de landgebieden, toegepast vanaf de jaren 1840, toen de Bataviase lithografen de relevante arceringstechnieken onder de knie hadden gekregen, verbeterde de leesbaarheid aanzienlijk. Eerst werd grijs gebruikt voor de landgebieden, later werd het vervangen door een gele tint.

Figuur 10. Detail uit de Kaart van Straat Makassar, samengesteld door Luit. ter zee A.C.J. Edeling in 1857, met Nederlandse en Maleise namen, in respectievelijk Romeins en Arabisch schrift. Nationaal archief, 4 MIKO 709.

Slechts een paar Nederlandse namen komen voor op de zeekaarten, Maleise namen hebben de overhand, hoewel niet altijd in de juiste spelling. Verkeerd gespelde namen zoals Bantam, Ceram of Grissee in plaats van Banten, Seran en Gresik werden door de Nederlanders in hun verkeerde vorm gecodificeerd. Van tijd tot tijd ondernam de regering spellingsacties en schreef ze een meer correcte weergave van inheemse namen voor, maar deze acties werden slechts halfslachtig gesteund door ambtenaren en geridiculiseerd in de Nederlandstalige kranten in de kolonie. Op de kaarten kunnen de namen dus in de loop van de tijd variëren, volgens opeenvolgende richtlijnen van de overheid: Makassar op het eiland Celebes werd bijvoorbeeld gespeld als Mankasar (1860), Mangkasar (1883), Makasser 1901; Poelau Way (1875), een eiland ten noorden van Sumatra, werd later weergegeven als Weh (1896) en Wè (1912); Analaboe (1875) aan de westkust van Sumatra werd later gespeld als Melaboe (1894) en Meulaboh (1913); Billiton (1840), Blitong (1851), het juiste Belitoeng in 1886, veranderde in 1910 in Billiton. Om de verkoop te verbeteren en een grotere groep klanten te bereiken, werd in 1856 begonnen met het opnemen van Maleise namen in Arabisch schrift, waardoor de hoeveelheid tekst op de zeekaarten verdubbelde (zie figuur 10). Deze praktijk werd stopgezet in de jaren 1860, wegens gebrek aan financiering, zodat personen die in staat waren om Arabisch te schrijven niet in dienst konden worden gehouden (Koloniaal Verslag 1862).

Van 1859 tot 1869 werden Japanse, Chinese en Siamese wateren in kaart gebracht door schepen van de Nederlandse Marine die in Oost-Indië waren gestationeerd. Er werden 9 kaarten van Japanse wateren, 3 voor Chinese en 2 voor Siamese wateren geproduceerd, deels gebaseerd op Britse kaarten maar aangevuld door Nederlandse marineofficieren. Ultimo 1869 keerde Z.M. stoomschip Curaçao terug uit Japan en de pogingen om gebieden buiten de Indische archipel in kaart te brengen kwamen daarmee tot stilstand. Aan het einde van de 19e eeuw had zich in Batavia een specifieke kaartstijl ontwikkeld, die in tegenstelling tot de Britse gewoonte (zoveel mogelijk dieptecijfers en grondsoorten te geven, in combinatie met zeer zware dieptelijnen), bedoeld was om een algemeen begrip te geven van de configuratie van de zeebodem met lichte dieptelijnen, en dieptecijfers alleen waar nodig voor een veilige navigatie (Encyclopaedie van Nederlandsch- Indië, lemma Kaartbeschrijving vol. 2, 1918, p. 242). Onderstaand indexblad (figuur 11) geeft de omtrekken weer van de meeste van de 218 verschillende zeekaarten die in het jaar 1900 verkrijgbaar waren [8]. Het is duidelijk dat de nadruk lag op het in kaart brengen van de wateren rond Java en Sumatra, de dekking met grootschalige zeekaarten van Borneo, de Molukken en Nieuw-Guinea bleef achter, maar dit zou worden verbeterd in de periode 1900-1914, de meest productieve periode van het hydrografisch onderzoek van de Indische wateren.

Figuur 11. Indexblac van Nederlandse zeekaarten van Nederlands-Indië uit het jaar 1900. Uit: Catalogus van kaarten en boekwerken, ‘s-Gravenhage 1900. UB Utrecht VI.C.27

Referenties

  1. Koeman, C. (1985) Geschiedenis van de kartografie van Nederland: zes eeuwen land- en zeekaarten en stadsplattegronden. Alphen aan de Rijn: Canaletto.
  2. Beautemps-Beaupré, Charles Francois (1808) Méthodes pour la levée et la construction des cartes et plans hydrographiques. Parijs, Imprimerie Royale.
  3. Voskuil, R.P.G.A. (1976) De hydrografische kartering van de Oost-Indische archipel tussen 1787 en 1874. Doctoraalscriptie Universiteit Utrecht, Utrecht 1976. Exemplaar aanwezig in het Nationaal Archief, Den Haag (H43 / 21).
  4. Melvill van Carnbee, P. (1854) Overzigt van de hydrographische verrigtingen in de Indische archipel, gedurende de laatste jaren (uittreksel uit het rapport van de Commissie tot verbetering der Indische zeekaarten over haar activiteiten in het jaar 1853). Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indië vol 7-1854, pp 1-19
  5. Luymes, J.L.H. (1927) De hydrografische opneming van den O.I. archipel. TAG pp 177-208
  6. Schüller, J.A. (1949) De maritieme cartografie en de ontwikkeling van het Hydrografisch Bureau. pp 737-877 in het Marineblad, vol 59.
  7. Hoëvell, W.R. van (1848) Berigten. Tijdschrift voor Neerlandsch Indië vol 10, 1848 (1e deel), 2e uitgave pp 284-289.
  8. Catalogus van kaarten en boeken uitgegeven door de hydrografische afdeling van de Koninklijke Nederlandse Marine. ‘s-Gravenhage: Staatsdrukkerij. -Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië (1917-1939). Leiden en Den Haag: Brill en Martinus Nijhoff. 8 delen. -Koloniale jaarverslagen t.b.v. het Parlement. -Zeemansgids voor den Oost-Indischen Archipel (1899-1908) Uitgegeven in opdracht van het Ministerie van Marine door Mouton & Co., ‘s-Gravenhage.

Auteurs

Afbeelding voor Ferjan Ormeling

Ferjan Ormeling

Volledige biografie