Ga door naar hoofdcontent
Artikelen‘We proberen het zo veel mogelijk geografen naar de zin te maken’

‘We proberen het zo veel mogelijk geografen naar de zin te maken’

Donderdag 14 september 2017Afbeelding ‘We proberen het zo veel mogelijk geografen naar de zin te maken’

Ronald Kranenburg is hoofdredacteur van Geografie, het tijdschrift van het KNAG. In dit interview vertelt hij over zijn rol binnen de redactie, over de lezers van het blad en de kracht van online media.

Deel I: De hoofdredacteur

Hoofdredacteur zijn van een geografisch tijdschrift, wat houdt dat precies in?
Mijn voornaamste taak is om ervoor zorgen dat het tijdschrift Geografie gevuld raakt met content van een bepaalde kwaliteit en dat dat tijdschrift op tijd af is. Ik ben verantwoordelijk voor de kwaliteit, maar ook voor het proces. Aan de ene kant wil ik het altijd beter en moet er meer tijd in worden gestoken, maar aan de andere kant moet ik er ook voor zorgen dat het tijdschrift op tijd af is. Dat is eigenlijk de paradox van het hoofdredacteurschap. Daarnaast houd ik me bezig met de beeldredactie.

Schrijf je zelf ook wel eens artikelen?
Ja en nee. In de praktijk schrijf ik vooral als we geen auteur kunnen vinden voor een bepaald thema. Als ik schrijf is dat dus vaak een noodoplossing. Wel vul ik ieder nummer de rubrieken Geonieuws en Agenda. Mijn grootste verantwoordelijkheid ligt toch vooral in het coördineren van het productieproces. Pas daarna ben ik als auteur van waarde.

Zie je jezelf meer als journalist of als geograaf?
Ik zie mezelf vooral als geograaf. Mijn achtergrond ligt in de geografie. Ik heb in Utrecht Sociale Geografie van Ontwikkelingslanden gestudeerd (het huidige International Development Studies). Destijds heb ik onderzoek gedaan in Bolivia naar stedelijke verandering en ben ik gepromoveerd op de verandering in stadsrandzones. Kort gezegd: als de stad groeit, neemt de relatieve afstand tot het stadscentrum af. Een gebied dat eerst aan de rand van een stad lag, komt daardoor relatief dichterbij het centrum te liggen. Dat betekent ook dat er functieveranderingen gaan plaatsvinden. Wat zijn daarvan de gevolgen? Wie blijft daar wonen? Wie wil daar weg? En wie komt er juist naartoe? Daar ben ik dan nieuwsgierig naar. In de journalistiek kun je die nieuwsgierigheid goed kwijt, maar het zijn toch vooral de geografische onderwerpen die ik interessant vind.

“Aan de ene kant wil ik altijd beter.
Aan de andere kant moet het tijdschrift op tijd klaar zijn.
Dat is de paradox van het hoofdredacteurschap.”

Wat is het leukste aan hoofdredacteur zijn?
Dat zijn twee dingen. Ik draag de eindverantwoordelijkheid voor een eindproduct waar ik trots op ben. Iedere keer als er een editie bij de drukker vandaan komt, vind ik dat bijzonder. Daarnaast vind ik de verscheidenheid aan geografische onderwerpen waarmee je als hoofdredacteur in aanraking komt heel leuk. Ik spreek ontzettend veel mensen en kom met veel geografische onderwerpen in aanraking waar ik soms zelf nooit aan zou hebben gedacht. Als je van geografie houdt, is dat een droombaan.

Deel II: De lezer en het tijdschrift

Hoe ziet het lezerspubliek van Geografie eruit?
Zo’n beetje de helft van de lezers is aardrijkskundedocent. De andere helft bestaat uit studenten, planologen, ex-geografen en praktijkgeografen. De afgelopen jaren komen daar steeds meer jonge mensen bij.

Waar komt dat door?
We krijgen voornamelijk handgeschreven of met een typmachine geschreven opzeggingen, maar de aanmeldingen gaan juist allemaal via de website. Dat is natuurlijke aanwas. Als je kijkt naar het grootste KNAG-event, de Onderwijsdag, dan komen daar ongeveer 800 aardrijkskundedocenten bij elkaar om te netwerken en workshops te volgen. Vroeger kwamen daar vooral mannen van middelbare leeftijd op af. Sinds een aantal jaar komen er ook steeds meer jonge mensen bij. Zij weten ook de website gemakkelijk te vinden. Over het algemeen een stuk gemakkelijker dan de oudere leden.

Foto2.jpg
Ronald samen met collega Florien. Zij beheert de vorig jaar vernieuwde website.

Heeft Geografie ook een doelstelling wat betreft lezerspubliek?
We proberen het zo veel mogelijk geografen naar de zin te maken. Dat betekent dat ieder nummer bestaat uit een mix van onderwerpen: verhalen die interessant zijn voor aardrijkskundedocenten, verhalen die sociaal geografen aanspreken en steeds vaker ook verhalen die betrekking hebben op fysische geografie.

Dat lijkt me een hele uitdaging.
Ja dat is het ook wel. De geografie is een brede discipline. Niet alle verhalen zullen elke lezer aanspreken. Het vinden van de juiste balans aan verhalen is lastig. En met zo’n breed lezerspubliek zal dat ook altijd een uitdaging blijven.

Het lezerspubliek is aan het veranderen en die verandering heb je dus van dichtbij meegemaakt?
Ja, we wilden eigenlijk zelfs een publiekstijdschrift van Geografie maken, dat gewoon bij de boekhandels in de schappen zou liggen. Dat is helaas niet gelukt, want daarvoor moet je een oplage van minimaal 10.000 exemplaren hebben. We hebben wel met uitgevers gesproken, maar dan zouden we zo veel water bij de wijn moeten doen dat we ver af kwamen te staan van het lezerspubliek dat we bij Geografie voor ogen hadden: de geograaf die op zoek is naar vakinhoudelijke kennis. Volgens de uitgevers waarmee we spraken was Geografie veel te specialistisch en moest het blad veel luchtiger. We waren van mening dat we daar niet mee konden aankomen bij onze lezers. Om te kunnen voldoen aan de eisen van de uitgevers moest het vooral leuk zijn en niet zozeer inhoudelijk sterk.

Er is dus voor gekozen om een vakinhoudelijk blad te blijven maken?
Ja. We hebben toen wel geprobeerd om het journalistieker te maken.

Hoe doe je dat zonder journalistieke ervaring?
Nou, dat begon al onder Henk Donkers (de vorige hoofdredacteur van Geografie) en daar ben ik op meegelift. Bijvoorbeeld doordat er nu meer aandacht wordt geschonken aan het visuele aspect van het tijdschrift, het ziet er professioneel uit. Maar ook doordat we duidelijke auteursrichtlijnen hebben opgesteld voor het schrijven van artikelen. Dat blijft lastig, omdat auteurs het op vrijwillige basis doen. Maar het biedt in ieder geval houvast.

“Vroeger kwamen er vooral mannen van
middelbare leeftijd naar de KNAG-Onderwijsdag,
tegenwoordig ook steeds meer jonge mensen.”

Hoe vaak verschijnt het tijdschrift?
Negen keer per jaar. Elke maand, behalve in juli en augustus. In de zomer zijn de meeste mensen op vakantie. In november en december brengen we ook één nummer uit.

Kun je als maandblad inspelen op de actualiteit?
Dat is lastig. Doordat we het blad met relatief weinig mensen maken, duurt het zeker twee maanden totdat een artikel helemaal klaar is om te worden gepubliceerd. Vaak ben je voor de actualiteit dan te laat. Als we een mooi artikel beschikbaar hebben dat we aan de actualiteit kunnen koppelen doen we dat natuurlijk wel. Als er ergens in de wereld een grote aardbeving is, en wij hebben een artikel over aardbevingen liggen, dan krijgt dat voorrang en passen we het aan op die actuele gebeurtenis.

Kijk je ook wel eens naar collega’s in het buitenland?
Ik ben eens op de redactie van de Geographische Rundschau in Duitsland geweest. Dat is puur gericht op docenten en kwalitatief heel erg goed. Dat tijdschrift wordt maar liefst twee jaar vooruit gepland. Dat is wel bijzonder, maar het biedt ook weinig bewegingsruimte.

Hoe komt Geografie aan auteurs?
Alle verhalen produceren we zelf. Dat houdt in: we regelen zelf auteurs die de verhalen op vrijwillige basis schrijven. We kopen geen verhalen in. We hebben een tijdlang een journalist parttime in dienst gehad, maar tegenwoordig niet meer. We leunen vooral op ons netwerk. Wie kennen wij, waar is men in gespecialiseerd? En zijn ze bereid om een verhaal te schrijven over een bepaald onderwerp?

Zouden studenten niet een mooie oplossing kunnen bieden als auteur?
Ja, zeker. En dat gebeurt ook al. We geven bijvoorbeeld colleges bij Geo-communicatie en Fysische Geografie in Utrecht. Dat is deels om content te verzamelen, maar ook om studenten te bereiken en aan te spreken. Ook overleggen we regelmatig met scriptiebegeleiders om te kijken of zij studenten begeleiden die een interessant onderwerp onderzoeken. Daar komen soms mooie verhalen uit.

Wie zijn er nog meer betrokken in het productieproces?
We hebben een freelancevormgever in Frankrijk, een kaartenredacteur, een webredacteur en een eindredacteur die de teksten redigeert. In wezen maken we het tijdschrift met drie en een halve werknemer.

Auteurs zijn ook mensen. Hoe voorkom je foutjes in het tijdschrift?
De artikelen worden door meerdere mensen gelezen voordat het blad naar de drukker gaat. In eerste instantie bekijk ik het. Daarna gaat het naar de eindredactrice. Zij kijkt niet alleen naar de stijl en of er typfouten inzitten, maar checkt ook bepaalde feiten. Bij twijfel leggen we een artikel ook nog wel voor aan een expert als het over een specifiek onderwerp gaat.

Krijg je wel eens reacties op het tijdschrift?
Nee, mensen reageren heel zelden. Er zijn een paar uitzonderingen: als je iets schrijft over Israël of Suriname krijg je altijd wel reacties. Bij uitzondering krijg je wel iets algemeens over een nummer, of soms iets heel specifieks. Maar via het tijdschrift een discussie op gang brengen is heel lastig, dat lukt via de website veel beter.

Deel III: Online media

Sinds vorig jaar is de website helemaal vernieuwd. Hoe belangrijk is Geografie.nl?
Heel belangrijk. Met de steun van de Universiteit Utrecht en de Universiteit van Amsterdam kunnen we nu meer aandacht schenken aan de site. Tegelijkertijd bieden we de universiteiten een uitlaatklep om te laten zien wat ze doen. We hopen dat Groningen en Nijmegen op den duur ook mee willen doen, dan hebben we alle universiteiten waar geografie wordt onderwezen bij elkaar. Dat is ook het doel van Geografie.nl, om een soort thuisbasis voor geografie in Nederland te zijn. Als een soort overkoepelend orgaan waar we allemaal onze eigen plek kunnen vinden.

“Als je iets schrijft over Israël of Suriname krijg je altijd wel reacties.”

Wat is dat verschil met de oude website?
Vroeger was de website eigenlijk een digitaal archief van het tijdschrift. Je kon er snel een oud artikel raadplegen zonder alle edities uit de boekenkast te hoeven trekken, maar veel meer kon je er niet mee. Tegenwoordig ziet het er veel mooier uit.

Tot slot, wat zou je de geograaf nog mee willen geven?
Volg je hart, doe wat je interessant vindt. Ik vind dat ik een heel leuke baan heb als hoofdredacteur van Geografie, maar tijdens mijn studie heb ik nooit bedacht dat ik dit zou gaan doen. Ik wist dat ik geografie leuk vond en ik heb geprobeerd om dingen met geografie te blijven doen tijdens mijn loopbaan. Als je gewoon een rasgeograaf bent, zorg er dan voor dat je iets met geografie kunt blijven doen. Daarbinnen vind je dan wel je weg.

Voor meer informatie over het tijdschrift Geografie kun je terecht op Geografie.nl.

Reacties

    Plaats een reactie

    Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.